Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te voorkomen, [zooals de landbouwer op afvrage pleegt te antwoorden] worden de draagstokken voor het vervoer van padi vervaardigd uit arenpalmtakken [eigenlijk de hoofdnerven];—maar zeer zeker geschiedt dat in voldoening aan hetgeen het formulier hier zoo beslist zegt.

v. soemalarang. Zooals sub t gezegd, beteekent soema dag; larang beduidt schaarsch, duur, hier inzonderheid verboden. De beeldspraak doelt op de lisoeng, het rijstblok. Evenmin als de landbouwer eiken dag, waarop hem dat het best schikt, de rijstschuur ontsluiten mag, evenmin mag hij naar willekeur de padi tot bras verstampen, wanneer hem dat maar goed dunkt. Ten deze zijn er verboden dagen [powe larangari], waarmede hij heeft rekening te houden, wil hem geen onheil overkomen.

De slotzinsnede der djarapé luidt als volgt:

„ Ramboet sadana ti we tan, tanghilna ramboet sadana ti uetan; nja rijeu! — Ramboet sadana ti koeion, tangkalna ramboet sadana ti kordon; „nja ijeu! — Ramboet sadana ti kaler, tangkalna ramboet sadana ti kaler; vnja ijeu! — Ramboet sadana ti kidoel, tangkalna ramboet sadana ti kidoel; ijeu.'

Hier is dus sprake van hoofdhaar, waarvan het geruisch, — ook dat van den stengel of stam van dat haar, — vernomen wordt uit alle windstreken.

De volzinnen, onsamenhangend als zij zijn, luiden wel vieemd. "Wat wordt hiermede bedoeld?

Gaan wij terug tot de legende, voorkomende op pag. 16 e.v. van den tekst, dan blijkt, dat diensvolgens na den dood van Nji Sri uit het hoofdhaar de padi zou zijn ontstaan. Met ramboet in de onderhevige slotzinsnede nu wordt niets anders bedoeld dan de uit dat hoofdhaar voortgekomen padi, en met tangkalna ramboet de stengel van die padi.

"Waar de djampe zegt, dat het geruisch van dat hoofdhaar en van den stengel of stam uit alle windstreken vernomen wordt, daar sluit zij den wensch in zich, dat dat haar [dus de padi] zoomede de stam of stengel zoo gunstig mogen geslaagd zijn, dat men uit alle windstreken van dat succes zal vernemen [d. i. sadana] en dat — dit is de quintessens — de opbrengst zóó overvloedig zij, dat de landbouwers uit alle streken, dus het geheele iiaensehdom, er genoeg aan zullen hebben, om van te leven.

Wij erkennen gaarne, dat de hiervoren gegeven vertaling van de geciteerde djampe niet fraai, voor verbetering en aanvulling vatbaar is. Het was ons trouwens minder te doen om fraaie bewoordingen dan, om, naar ons vermogen, duidelijk in het oog te doen springen, hoe

Sluiten