Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

200 [gedeng] y 6 katties, — alsof de kleinere gedengs beslist 5 en de grootere 6 katties gewicht hebben.

In enkele streken spreekt de Soendanees ook van een madeja = 100 gedeng = £ tjaing en van een tanggoeng 50 gedeng — \ madeja. In de omstreken van Bandoeng zegt men saladjër voor eene hoeveelheid van 20 gedeng met een Rangenomen gewicht van 20 y 5 = 100 katties.

21) Een gantang van 10 batoks inhoud, wordt in de Soendalanden saeter genoemd.

Bij de pitrah is nog sprake van een koelak d. i. de hoeveelheid, welke het hoofd van een gezin als zoodanig verschuldigd is. In sommige streken neemt de geestelijkheid het ten deze zoo nauw niet op en staat zij gaarne toe, dat de koelak instede van alleen voor het hoofd des gezins ook voor ieder volwassen persoon daaruit wordt opgebracht. Zij bedraagt 4 batoks van één kattie.

22). De meeste landbouwers zijn van oordeel, dat de h. bodas een verschijnsel is, specifiek eigen aan de periode, gedurende welke de padi nog op de kweekbedden staat en dat zij van zelf verdwijnt, wanneer de kweekelingen op het volle plantveld zijn overgebracht. Als oorzaak van het verschijnsel meenen sommigen te moeten beschouwen de z g. anqin barat of westenwinden, welke, wanneer zij eenige dagen achtereen heerschen, een verdrogenden invloed hebben en de jonge plantjes aantasten. Anderen schrijven de hama toe aan haastige, dus slordige bewerking van den grond der kweekbedden en aan onvoldoende zorgen zoowel bij het sorteeren als bij de verdere behandeling van het zaad. Weder anderen — en voor dezen meenen wij, op grond van hetgeen nader volgen zal, de meeste sympathie te gevoelen — wijten het verschijnsel aan te dichte uitzaaiing.

Te dezen aanzien toch wil het ons toeschijnen, dat het wel tot vingerwijzing kan strekken, dat zelfs op ernstig bedreigde kweekbedden de plantjes langs den buitenrand en die dus licht en lucht hebben en geen gebrek aan ruimte voor hare ontwikkeling, er frisch groen uitzien. Hetzelfde, en om gelijke oorzaken, valt ook waar te nemen op de ijl bezaaide plekjes of daar, waar een deel van de oorspronkelijk, uitgezaaide korrels, hetzij door vogels dan wel door het bevloeiingswater te loor is gegaan. Hoe verder de plantjes van den rand der bedden doch dichter bij het midden staan, des te lichter kleurt zich haar loof totdat men bijwijlen zelfs op eene niet moeielijk te onderkennen witte kern stuit, waar de kweekplantjes het slechtst aan toe zijn en gewoonlijk trouwens het eerst worden aangetast.

In sommige streken beschouwt men de h. bodas als zulk een gewoon verschijnsel, dat er landbouwers zijn, die er zich veeleer over verwonderen, wanneer een kweekbed daarvan verschoond blijft.

Sluiten