Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot aan den mondhoek. Achter in den nek bevindt zich aan de grens van de zwarte veeren een wit vlekje. Mantel donker-, schouders, rug en bovenste staartdekvederen lichtblauwgrijs. Vleugels en staart zwartachtig. De slagpennen aan de buitenvlag van fijne, aschgrijze randjes voorzien, waarvan de kleur aan de buitenste vederen in het witte trekt. Buitenste vleugeldekveeren van witte uiteinden voorzien, zoodat zich op den samengelegden vleugel een witte dwarsband vertoont. De drie binnenste slagpennen bezitten zwarte randen. Staartvederen aan de buitenvlag met aschgrijze randjes. Buitenste stuurpennen echter grootendeels wit. Vleugels en staart aan de onderzijde dofgrijs, de eerste met witte dekveertjes. Alle onderdeelen van den romp vuilwit, aan de flanken geleidelijk in het grijs van den rug overgaande. Van den krop tot de onderste staartdekveeren loopt overlangs een breede, dofzwarte band. Alle witte rompveeren zwart aan de basis. Bek donkerhoornkleurig. Pooten en nagels donkerloodkleurig. Iris van Dijckbruin. Totale lengte 13 c.M.

De Javaansche Mees is een tamelijk algemeene vogel. In zijn voorkomen en zijn bewegingen verraadt hij onmiddellijk zijne verwantschap met de bekende Europeesche Meezensoorten en in het bijzonder met de Koolmees (Parus ater, L.). Men vindt haar zoowel in hoogere als in lagere streken; in den regel trekt zij in kleine troepjes rond, maar in den paar- en broeitijd houden de paren zich van elkander gescheiden. Een troepje van deze vogels levert een aardig gezicht op; zorgvuldig wordt elke boom en elke heester onderzocht en bij het jagen op insecten en insecteneieren hangen zij soms onderst boven aan de dunste takjes. Voortdurend doen zij daarbij hun vroolijk, helder klinkend geroep hooren, dat ons onwillekeurig een fraaien, Europeeschen najaars- of winterdag voor den geest roept. Naar het schijnt, leven zij uitsluitend van dierlijk voedsel. Het tamelijk eenvoudige nest wordt in een holte van een stam of tak aangelegd en bevat drie of vier witte, roodachtig bruin gespikkelde eieren.

b. Familie der Boomklevers (SittidaeJ.

De Boomklevers ontleenen hun naam aan de gewoonte zich op de wijze der Spechten aan stammen en takken vast te klemmen. In vlugheid van bewegingen overtreffen zij de Spechten verre en aan de omstandigheid, dat zij zich in alle houdingen, gelijk de

Sluiten