Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o.a. door den geheel zwarten kop en nek, de lichtblauwe bovenste en onderste staartdekveeren en eene fraaie, lichtblauwe teekening op de overigens zwarte slagpennen en vleugeldekvederen.

Groep VIII. Kwikstaarten.

De beide in deze groep gebrachte familie's zijn nauw aan elkander verwant; beider vormen leven hoofdzakelijk op den grond en leven uitsluitend van insecten. Het zijn meestal zeer slanke vogeltjes met vlugge, sierlijke bewegingen, maar een weinig ontwikkeld zangvermogen.

a. Familie deb Kwikstaarten. (Motacillidae).

Gekenschetst door hun langen, bewegelijken staart, hun vrij hooge pooten en hun kleinen kop met een rechten, puntigen snavel, zijn de Kwikstaarten in hun algemeen voorkomen aan ieder bekend, die een deel van zijn leven in Europa doorbracht, waar zij des zomers tot de zeer gewone vogels behooren. Dit laatste geldt niet ten aanzien van Java, want de Kwikstaarten zijn in onze omgeving, zoo niet zeldzaam, dan toch zeer zeker geen alledaagsche verschijningen. Schlegel zegt in zijn „Vogels van Nederland", dat Motacüla flava, L. in menigte op Java, Borneo en Amboina tot op 2000 voet hoogte broedt, maar wat Java betreft, heb ik deze bewering nergens door eigen waarneming bevestigd gevonden en indien het nest zoo algemeen was, zou Bernstein wel melding ervan hebben gemaakt.

Motacilla flava, L. draagt bij de inlanders, voor zooverre deze haar althans kennen, den naam van kitjoewit; Vorderman geeft voor Batavia den naam kitjoewit kerbo op en Horsfield voor het Javaansch dien van bessit. De laatste was echter bij geen der door mij ondervraagde Javanen bekend.

De kitjoewit (Fig. 10) varieert naar gelang van het jaargetijde zeer in zijn vederkleed; in April en Mei is hij het fraaist. Hij heeft dan een grijzen kop en een in den regel duidelijke, witte superciliairstreep. Van onderen is hij zwavelgeel, mantel, rug, stuit en de kleine vleugeldekveeren zijn fraai olijfgroen, waartegen de in rust donker sepiakleurige vleugels scherp afsteken.

Sluiten