Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Vleugellengte minder dan 15 c.M. Staart-

pennen puntig eindigend T. acuminata.

Vleugellengte meer dan 15 c.M. T. crassirostris.

7. Bovenste staartdekveeren in hoofdzaak wit T. subarquata. Bovenste staartdekveeren zwartachtig bruin ... 8.

8. Snavel dun, meer hoog dan breed, middelste staartveeren duidelijk langer dan de andere T. alpina. Snavel stevig, even breed als hoog, middelste staartveeren nagenoeg even lang als

de andere T.platyrhyncha.

Het cosmopolitisch karakter der Strandloopers blijkt wel het best uit de omstandigheid, dat van de negen, hier aangegeven soorten bijna alle in Europa en drie in ons vaderland voorkomen, namelijke T. arenaria, T. minuta en T. subarquata, die aldaar onder de namen Drieteenige, Kleine en Krombek-Strandlooper bekend zijn. Tringa minuta (Fig. 87) is in het winterkleed niet anders van Tringa ruficollis te onderscheiden dan door de omstandigheid, dat de laatste iets forscher van bouw is. In het zomerkleed echter zijn bij de laatste krop en borst fraai roestbruin gekleurd, van welke kleur de hier voorkomende exemplaren dikwijls nog een overblijfsel vertoonen.

Tringa (Calidris) arenaria, L. is op Java zeldzaam, maar heeft in de Noordelijke gematigde luchtstreken een zeer groot verspreidingsgebied en broedt in het hooge Noorden. Aan de kusten van ons vaderland is zij dikwijls in grooten getale op den trek waar te nemen. De afwezigheid van een achterteen maakt haar gemakkelijk herkenbaar.

Tringa subminuta, Midd. (door Vokderman, Nat, Tijdschr. Ned-lndië, XLII pag. 98, als Tringa damacensis, Horsf. beschreven) is meer een moeras- dan een strandvogel; daarop wijzen ook

haar lange teenen.

Tringa minuta, Leissl., Tringa ruficollis, Pall. en Ti inga subarquata, Güld. komen, in West-Java althans, het meest vooi en zijn algemeen onder den naam tiril bekend. De meeste soorten leveren een zeer goed voedsel op; overigens zijn zij in oeconomisch opzicht niet van veel beteekenis.

Sluiten