Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat is '). Het concilie van Trente sprak den banvloek uit tegen een ieder, die leeren zou, „dat de vrije wil van den mensch na de zonde van Adam verloren en uitgedoofd is" 2). Reeds vroeger is over den vrijen wil gesproken (Deel I, bl. 259). Wij wijzen hier nog op het woord der H. Schrift: „Wilt gij zijn geboden onderhouden en gestadig trouw zijn naar zijn welbehagen, dan zullen zij u behoeden. Leven en dood, goed en kwaad heeft de mensch vóór zich; wat hij wil zal hem gegeven worden". Eccl' XV, 16, 18.

4°. Al de ellenden des levens en eindelijk de dood.

De H. Geest beschrijft in enkele woorden den ellendigen toestand van den gevallen mensch: „Groote last werd allen menschen toebedeeld, en een zwaar juk drukt op de kinderen van Adam, van den dag huns uittredens uit den schoot hunner moeder tot den dag hunner begrafenis in de algemeene moeder". Eccl' XL 1. En de profeet Job schrijft: „De mensch leeft korten tijd en wordt met veel ellenden vervuld". Job, XIV, 1.

Eindelijk de dood. „Door éénen mensch is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood; en aldus is de dood op alle menschen overgegaan". Rom. V, 12.

Het onherroepelijk vonnis door God in het paradijs tegen den zondigen mensch uitgesproken: „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren" 1 staat gegrift, niet alleen op het voorhoofd van den grijsaard, die reeds ter aarde neigt, maar ook van het pasgeboren kind, dat zijn eersten groet aan het leven brengt; dat vonnis staat ook geschreven op het voorhoofd van den bloeienden jongeling, zoo vol van alle levensdroomen, ook op het voorhoofd van den ijzersterken, fieren man, die met den dood durft spotten. Het einde van alle menschen is de dood, en hun levensweg loopt uit in het graf.

Niet alleen de mensch zelf, maar ook de aarde, die ter wille van den mensch gemaakt is, werd door den vloek der zonde getroffen. God sprak tol den gevallen Adam: „Gevloekt zij de aarde in uw werk; in veel arbeid zult gij er van eten

') Dit is de dwaling'van het Protestantisme. Heidelb. Catech. Vr. 8: „Maar zijn wij alzoo bedorven, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed, en geneigd tot alle kwaad? Ja wij; tenzij wij door den Geest Gods wedergeboren worden". 2) Sess. VI, can. 5.

Sluiten