Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indien, gelijk de Monothelieten beweren, de menschelijke natuur in Christus een willoos werktuig der Godheid was, of, wat hetzelfde is, indien er in Christus slechts een goddelijke wil was, dan kan er geen sprake zijn van een gehoorzaamheid tot den dood (Philipp. II, 8), waardoor Hij ons verlost heeft (Rom. V, 19).

In Christus is een goddelijke en een menschelijke wil, maar de menschelijke wil was in alles volmaakt aan den goddelijken onderworpen, zoodat er nimmer strijd tusschen beide bestond J).

Toch liet Christus, die een volmaakte heerschappij over al zijn vermogens en aandoeningen had, vrijwillig toe, dat zijn zinnelijke vermogens en zijn wil, als natuurstreving, hun natuurlijken afschrik behielden tegen lijden en dood, in zoover deze een physiek kwaad zijn. Tegelijk echter beschouwde Hij dat lijden en dien dood in een ander opzicht, n.1. als het middel, door Gods eeuwig raadsbesluit uitgekozen, om den mensch te verlossen en God te verheerlijken, en in dit opzicht omhelsde Hij dat lijden en dien dood met volle vrijheid en blijheid 2).

In Christus is een goddelijke en een menschelijke werking, want elk vermogen heeft zijn eigen werking.

Christus zelf getuigt van zich zeiven, dat Hij niet alleen goddelijke, maar ook menschelijke werkingen verricht heeft: „Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werke.... Al wat die doet, dat doet ook de Zoon desgelijks". Jo. V, 17, 19. „De Zoon des menschen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs van velen". Mt. XX, 28.

Is er in Christus een goddelijke en een menschelijke werking, dan moet men in Christus, die twee naturen heeft, welke nochtans in de eenheid van zijn goddelijken Persoon vereenigd zijn, drieërlei werking onderscheiden.

Er zijn werkingen, a. die uitsluitend in de goddelijke natuur haar oorsprong hebben, b.v. het bewaren der wereld, het scheppen der zielen; b. die uitsluitend aan de mensche-

') Zesde alg. kerkv. van Constantinopel (680—681); Albers, I, § 35; Denzinger, N. 291. 2) 3. q. 18, a. 6.

Sluiten