Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leerde: „Het geloof leert, dat er in Christus twee naturen zijn, de goddelijke en de menschelijke; derhalve moeten er ook twee personen zijn". Eutyches redeneerde: „Het geloof leert, dat er in Christus maar één persoon is, en de Kerk heeft Nestorius als ketter veroordeeld; derhalve kan er in Christus ook maar één natuur zijn".

De menschelijke natuur kan niet bestaan zonder eigen persoonlijkheid, tenzij deze door een hoogere wordt vervangen.

Het geloof leert, dat dit is geschied bij de menschwording van den Zoon Gods. De menschelijke natuur heeft in Christus niet — gelijk bij alle andere menschen — een eigen zelfbestandheid, een eigen persoonlijkheid, maar zij is opgenomen in het goddelijk bestaan, in den Persoon van den Zoon Gods. „De goddelijke Persoon — zegt de H. Thomas — voorkwam door zijn vereeniging, dat de menschelijke natuur een eigen persoonlijkheid had" 1). En dit mag niet als een gebrek van de menschelijke natuur beschouwd worden, want „de aangenomen natuur mist haar eigen persoonlijkheid niet, als zou er iets aan de volkomenheid der menschelijke natuur ontbreken, maar omdat aan haar iets is toegevoegd, dat boven de menschelijke natuur is, n.1. de vereeniging met een goddelijken Persoon" 2).

2°. Christus is een goddelijke Persoon. Dit belijden wij in het symbolum: „lk geloof in Jezus Christus, zijn eenigen Zoon, onzen Heer, die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de Maagd Maria". Van één en denzelfden wordt hier gezegd, dat Hij de Zoon Gods en de Zoon van Maria is. Daarom ook leert de Athanasiaansche geloofsbelijdenis: „Gelijk de redelijke ziel en het lichaam één mensch zijn, zoo zijn God en de mensch één Christus 3).

In de H. Schrift wordt van één en denzelfde gezegd, dat Hij nog geen vijftig jaren telt, en reeds is vóór Abraham (Jo. VII, 52), dat Hij Gode gelijk is en de gedaante van een dienstknecht aannam (Philipp. II, 6, s.s.), dat Hij de Heer der glorie en de gekruiste is. (I Cor. II, 8).

Aan één en denzelfde, aan één persoon derhalve worden goddelijke en menschelijke eigenschappen en werken toege-

l) 3, q. 4 a. 2, ad 3. 2) 1. c. ad 2. 3) Deze vergelijking- gaat kreupel, want ziel en lichaam vormen ook één natuur.

Sluiten