Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kend. Wijl nu de goddelijke Persoon in Christus eeuwig en onveranderlijk is, en door de menschwording niet vernietigd werd, moet de ééne persoon in Christus een goddelijke zijn.

Door de loochening van de persoons-eenheid in Christus valt geheel het Christendom. Is Christus een andere persoon dan de Zoon Gods, dan is Christus geen God, dan is God niet menschgeworden, dan zijn de verdiensten en voldoeningen van Christus niet van oneindige waarde, dan is er geen verlossing, dan is het Christendom een leugen, ja zelfs afgoderij en minderwaardig dan de Islam.

Jezus Christus is één persoon in twee naturen en daarom worden aan één en denzelfden Christus de eigenschappen en werkingen van beide naturen toegekend. Hij is gelijk aan den Vader volgens de goddelijke natuur; Hij is minder dan de Vader volgens de menschelijke natuur. Hij is eeuwig volgens de goddelijke natuur; Hij is in den tijd geboren volgens de menschelijke natuur enz. Deze en dergelijke uitdrukkingen zijn niet tegenstrijdig, omdat zij betrekking hebben op de twee verschillende naturen van Christus.

Jezus Christus is een goddelijke Persoon, en daarom zijn alle daden van Christus, ook die, welke Hij in zijn menschelijke natuur verrichtte, van oneindige waarde '). De waarde toch van een werk is geëvenredigd met de waardigheid van den persoon, die het werk verricht. Wanneer derhalve Christus bad, vastte, leed enz. dan was dat gebed, die versterving, dat lijden een werk van oneindige waarde. Die werken waren wel werken in de menschelijke natuur, die eindig is, m'aar zij waren werken van den tweeden Persoon van de H. Drieéenheid, die oneindig is. Hieruit volgt, dat elke daad van Christus, b.v. een kort gebed, op zich zelf voldoende was,

l) De menschelijke natuur kan niet bestaan of werken zonder de persoonlijkheid, waarin zij haar laatste voltooiing- vindt. In den mensch heeft elk vermogen, b.v. het verstand, het gevoel zijn eigen verrichtingen, maar ziel en lichaam met al hun vermogens zijn het eigendom van een menschelijken persoon. De persoon, werkend door al zijn vermogens, mag zich alle werkingen toeeigenen (Actiones sunt suppositorum). In Christus is geen menschelijke, maar alleen een goddelijke Persoon en daarom moeten ook de werkingen der menschelijke natuur beschouwd worden als de werken van een goddelijken Persoon.

Sluiten