Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschelijke kennis kwam in Christus, gelijk in elk ander kind, niet vóór de jaren, en zij nam toe door eigen geestelijken arbeid en door de ervaring1). Het is bovendien het gevoelen van ontelbare geleerden, dat de gewone menschelijke kennis in Christus niet alleen door eigen arbeid verkregen, maar ook door God op bovennatuurlijke wijze geleidelijk werd ingestort, zoodat Christus in volwassen leeftijd ook de volheid dier menschelijke wetenschap had 2). In Jezus Christus zijn derhalve alle schatten van goddelijke en zalige wetenschap, maar ook van alle kennis van engelen en menschen; en zijn verstand kon niet dwalen 3).

Was de H. Menschheid van Christus, die door God met zulke groote gaven van genaden en wetenschappen verrijkt was, toch onderworpen aan de vele onvolmaaktheden, gebreken en ellenden, waaronder de andere menschen gebukt gaan?

De Apostel Paulus antwoordt: „Hij moest den broederen in alles gelijk worden opdat Hij een barmhartig en getrouw Hoogepriester zou zijn bij God, om de zonden des volks te verzoenen". Hebr. II, 17.

Christus had geen enkele onvolmaaktheid, die met de waardigheid zijns Persoons of met de volmaaktheid der genade of der wetenschap in strijd is. Vandaar dat er in Christus noch zonde, noch neiging tot de zonde, noch zondigbaarheid, noch onwetendheid of dwaling was. Christus had evenmin gebreken, die het gevolg zijn van bijzondere oorzaken, zooals de verschillende ziekten, de misvormdheid enz. Dergelijke gebreken zijn het gevolg van een gebrek in de ouders of van een persoonlijke schuld, b.v. van een ongeregeld leven. Maar het lichaam van Christus was gevormd door de kracht

*) 3. q. 9—12; De Lugo, De mysterio Incarn. Disp. XXI, s. 1, N. 5. ') De Lugo, 1. c. 3) De godslasteringen van Loisy en andere Modernisten, dat Christus zich niet altijd zijner messiaansche waardigheid bewust was en omtrent den naderenden oordeelsdag in dwaling verkeerde, werden veroordeeld in het decreet Lamentabili, N. 35, 33. Over de eerste dwaling zal gesproken worden bij Vr. 104; over de tweede leze men G. van Noort, De vera Religione2, N. 175 s.s.

Sluiten