Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeide: „Zie ons aan! Hij nu hield zijn oogen op hen, verwachtende iets van hen te krijgen. Maar Petrus zeide: zilver en goud heb ik niet; doch wat ik heb geef ik u: in den Naam van Jezus Christus den Nazarener, sta op en wandel: En hij nam hem bij zijn rechterhand, en hief hem op; en terstond waren zijn voeten en hielen gesterkt. En hij sprong op, en stond, en wandelde". Act. III. Maar nog grooter wonderen zouden in den Naam Jezus gewrocht worden. Arme, ongewapende, onwetende visschers moeten ten strijde tegen het heidendom, ook tegen het grieksch-romeinsch heidendom met zijn rijkdom, macht en wetenschap. Hun leer is lijnrecht in strijd met de heerschende begrippen en gebruiken, in strijd ook met de bedorven natuur van den mensch. Tegenover hoovaardij, hebzucht en zingenot eischen zij nederigheid, zelfverloochening, verachting van den rijkdom, versterving. En waar de Naam van Jezus gepredikt wordt, vallen van de altaren de afgoden, die beeltenissen der menschelijke verdor- venheid, maar ook in de harten der menschen worden de geestelijke afgoden verbrijzeld. Overal verspreidde die Naam licht in de duisternis, stortte hij kracht in de zwakheid. Weldra strekte hij zijn zoete heerschappij uit over duizenden en duizenden, en bevolkte al spoedig de woestijn met kluizenaars, de kloosters met monniken, de wereld met heiligen.

4°. Om zijn zoetheid. „Die Naam, zegt de H. Bernardus, is honing in den mond, melodie in het oor, jubel in het hart" *). Die naam is een naam van barmhartigheid, vertrouwen en zaligheid, „want er is onder den hemel geen andere, den menschen gegeven Naam, waardoor wij moeten zalig worden". Act. IV, 12, „En het zal geschieden, dat al wie den Naam des Heeren heeft aangeroepen, zal behouden worden". Act. II, 21. Die Naam spreekt ons van Hem, die voor ons den dood en de hel heeft overwonnen; van Hem, die als de goede herder ook de afgedoolde schapen opzoekt; van Hem, die al onze krankheden in zich heeft gedragen, en ook onze zonde als borg op zich heeft genomen; van Hem, die nog altijd in den hemel onze middelaar is.

') Serma XV super cantic.

II

6

Sluiten