Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de rechterhand zijns vaders, die Hem verheven heeft ver boven alle engelen. „En alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen, en Hem tot Hoofd gesteld over de gansche Kerk". Eph. I, 22. Daar in den hemel zetelt nu de Koning der glorie, omringd en aanbeden door de koren der engelen, die als hovelingen zijn hofstoet vormen, aanbeden ook door ontelbare millioenen van zalige zielen, die Hem op aarde als Koning erkenden en dienden, en nu aan zijn glorie deelachtig zijn. Maar in de hooge hemelen blijft de Koning der glorie altijd de onzichtbare Koning der strijdende Kerk op aarde. Als Koning der genade heiligt Hij zijn Kerk door den H. Geest en zijn kerkelijke bedienaren, en stort Hij overvloedige genade in de harten zijner geloovigen. Gelijk bij eiken harteslag het bloed door de aderen van het lichaam wordt gestuwd, zoo stroomt uit Christus de genade in de strijdende Kerk, zijn geheimzinnig lichaam, waarvan wij allen de ledematen zijn. Hij beschermt zijn Kerk tegen al haar vijanden. Hij blijft met haar, tot de dag zal aanbreken, dat Hij op een wolkentroon nederdaalt als Rechter van levenden en dooden. Mt. XXV, 31. ss. En dan zal Hij als Koning al zijn vijanden aan zijn voeten zien, dan ook zal voor al zijn getrouwe dienaren de strijd bekroond worden met eeuwige zegepraal.

89b. Wat beteekenen de woorden: „zijn eenigen Zoon"?

De woorden „zijn eenigen Zoon" beteekenen, dat alleen Christus de eigenlijke Zoon is van God den Vader.

Alleen Christus is de eeuwige, de eigenlijke of natuurlijke Zoon van God den Vader, omdat alleen Hij eeuwig uit den Vader geboren wordt.

De menschgeworden Zoon Gods heeft evenwel aan allen, die in Hem gelooven, de macht gegeven, om aangenomen kinderen Gods te worden (Jo. I, 12). God immers zond zijn Zoon, „opdat wij de aanneming tot kinderen Gods zouden verkrijgen. En wijl gij zonen zijt, heeft God den geest zijns Zoons in uw harten gezonden, die roept: Abba, Vader! Derhalve is het niet meer dienstknecht, maar zoon; en indien zoon, dan ook erfgenaam door God" Gal. IV, 5—7, „en medeërfgenaam van Christus" Rom. VIII, 17, die in dit opzicht

Sluiten