Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een menschelijke persoon geweest zijn, wat met het geloof in strijd is. Die schepping en die vereeniging is het werk der drie goddelijke Personen, maar wordt op bijzondere wijze aan den H. Geest toegeschreven, omdat dit werk het meesterstuk van Gods liefde is (Vr. 36a). In dezen zin belijden wij! „Die ontvangen is van den H. Geest".

Alleen de tweede Persoon is mensch geworden, d. w. z. heeft de menschelijke natuur als de zijne aangenomen. De menschelijke natuur werd niet onmiddellijk vereenigd met de goddelijke Natuur, maar met den goddelijken Persoon, en door den Persoon met de Natuur. De Zoon Gods nam de menschelijke natuur aan niet in de eenheid der goddelijke Natuur, die in de drie Personen één is, maar in de eenheid zijner persoonlijkheid, die Hem eigen is. En wijl er nu een werkelijk onderscheid bestaat tusschen de drie goddelijke Personen, was het mogelijk, dat de tweede Persoon mensch werd, zonder dat tegelijk ook de Vader en de H. Geest de menschelijke natuur aannamen *). De H. Bonaventura tracht dit eenigszins op te helderen door het voorbeeld van drie personen, die te zamen één van hun drieën kleeden. Alle drie zijn de werkende oorzaak van het kleeden, maar slechts één van drieën is de gekleede 2).

De menschwording is een geheim, dat boven de natuurlijke rede is, maar niet met de natuurlijke rede in strijd is.

De menschwording van den Zoon Gods is een geheim, dat het natuurlijk verstand zonder de Openbaring niet weten en ook, nu het eenmaal geopenbaard is, niet begrijpen kan. Wij gelooven, dat de Zoon Gods is mensch geworden, omdat God zelf ons die waarheid geopenbaard heeft. Deze geloofswaarheid ligt derhalve boven het bereik van het natuurlijk verstand, maar kan niet met het natuurlijk verstand in strijd zijn (bl. 31.) Alle tegenwerpingen van het ongeloof missen derhalve eiken redelijken grondslag.

Deze tegenwerpingen worden gezocht 1°. van den kant van God, 2°. van den kant der menschelijke natuur, 3°. van den kant der vereeniging tusschen God en den mensch.

l) 3, q. 3, a. 2, a. 4. 3) In III Sent. D. 1, a. 1, q. 2.

Sluiten