Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die met haar zondige vermaken voorbijgaat en den mensch ten afgrond voert, maar volgen wij het lijdend Kindeke van Bethlehem. Bij het kribje spreekt alles van versterving en lijden. Hier is niets, dat de zinnen streelt: hier is een naakte, kille grot, een harde kribbe, hier zijn schamele doeken en het jaargetijde is zoo guur. De lichamelijke ontbering en versterving kunnen nochtans niet in vergelijking komen met het inwendig leed, waaraan de ziel van dit Kindeke ter prooi is. Deze ziel toch doorschouwt in volle klaarheid het verleden, het heden en de toekomst. De pasgeboren Jezus telt al de zonden der wereld, van Adam af tot den oordeelsdag, die Hij tot uitboeting op zich nam; Hij kent al het lijden, dat Hem wacht; Hij ziet, ondanks zijn kruisdood, de hel met verdoemden gevuld. De tranen, door dat Kindeke geschreid, zijn geen gewone kindertranen, maar tranen van boete, nu reeds den Vader geofferd in afwachting van den dag, dat Hij zijn Bloed voor de zondige wereld vergieten zal. Willen wij leerlingen van den goddelijken Leeraar zijn, dan moeten wij een verstorven leven leiden. „Zij, die aan Christus toebehooren, hebben hun vleesch met zijn ondeugden en begeerlijkheden gekruisigd". Gal. V, 24. Het lichaam met zijn zintuigen is ons gegeven ten dienste der ziel. Wordt echter de zinnelijkheid niet in toom gehouden door de versterving, dan werpt zij het juk der dienstbaarheid af en maakt zij de ziel tot haar slavin. Wij moeten derhalve de zondige vermaken vluchten, en zelfs in geoorloofde zaken de christelijke versterving beoefenen, om meester te blijven over onze zinnelijke hartstochten en ook, omdat wij gezondigd hebben.

2°. „Alles, wat in de wereld is, — zegt Joannes — is begeerlijkheid der oogen'. Geld verdienen, rijkdom verzamelen is voor de wereld het hoogste levensdoel. Vandaar die koortsachtige zucht naar aardsch bezit, vandaar het wanbegrip, dat rijkdom een bewijs is van meerdere waardigheid en hoogere beschaving. En terwijl de rijke met alle middelen schatten op schatten stapelt, lijdt de arme broodsgebrek. En de arme, wiens beurs ledig aan geld, maar wiens hart vol van hebzucht is, mort tegen God, vervloekt de maatschappij en zint op

Sluiten