Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van twee jaar en daaronder van Bethlehems grondgebied te vermoorden. Aan dien algemeenen kindermoord kon de nieuwgeboren Koning, de oorzaak zijner vrees, het voorwerp zijner woede, zeker niet ontkomen. Maar ziet, Gods engel verschijnt des nachts aan Jozef en zegt: „Sta op, en neem het Kind en zijn Moeder met u, en vlucht naar Egypte, en wees aldaar, totdat ik. het u zeggen zal; want Herodes gaat het Kind zoeken, om het te dooden". Mt. II, 13.

Nog dienzelfden nacht vluchtte Jozef naar Egypte. Jozef en Maria vragen niet: Als dit Kindje waarlijk God is, waarom moeten wij dan vluchten voor Herodes, zijn machteloos schepsel? Zij zeggen niet: Waarom komt dit bevel zoo onverwachts? Wij hebben den tijd niet, ons voor die lange en gevaarvolle reis voor te bereiden! Hoe kunnen wij onvoorbereid in den donkeren nacht langs onbekende wegen vertrekken? Zij zuchten niet: Hoe zullen wij in dat vreemd en heidensch land in ons onderhoud kunnen voorzien? Hoelang zal die bange ballingschap wel duren? Zij vragen niets, maar zij vertrekken aanstonds, want zij zijn menschen van levendig geloof, blinde gehoorzaamheid, onwankelbaar godsvertrouwen.

Waar de H. Familie in Egypte heeft gewoond, is niet in de H. Schrift opgeteekend. De overlevering noemt Heliopolis, het tegenwoordige Matarea.

Het is ook niet bekend, hoe lang zij in Egypte verbleef. Sommigen meenen twee, anderen zelfs negen jaren.

Toen de H. Familie gevlucht was, kwamen de beulen van Herodes en brachten al de kinderen van het mannelijk geslacht, van twee jaar en daaronder, om het leven. Als men berekent, dat Bethlehem met omstreken 2 a 3000 inwoners had, mag men aannemen, dat omtrent 70 kinderen vermoord zijn.

Deze onschuldige kinderen, die voor Christus hun onschuldig bloed vergoten, worden door de Kerk op den 28n December als martelaren vereerd 1).

Zij zijn de eerste bloemen van den rijken oogst der martelaren, die de velden der Kerk eenmaal bedekken zal; zij zijn de eerstgeborenen der Kerk, die Christus kwam stichten;

') Brouwer, Het Kerkelijk Jaar, bl. 64.

Sluiten