Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indien Hij de Zoon Gods was, voor zich de goddelijke eer opeischen, en daardoor zijn Godheid openbaren zou.

De duivel dan wees Hem op de koninkrijken der aarde en hun schatten, en zeide: „Dit alles zal ik U geven, indien Gij nedervalt en mij aanbidt". Nu noemt Jezus den bekoorder met zijn naam en antwoordt: „Ga weg, satan! want er staat geschreven: Den Heer uw God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen" (Deut. VI, 13).

Driemaal verslagen, vlucht satan weg en engelen in menschelijke gedaante snellen toe, om den uitgeputten Zaligmaker te spijzigen (Mt. IV).

De drie bekoringen waren: 1°. de begeerlijkheid des vleesches, 2°. de hoovaardij des levens, 3°. de begeerlijkheid der oogen J).

Joannes predikt de Godheid van Christus.

Nadat Jezus den duivel overwonnen had en door de engelen gespijzigd was, begaf Hij zich uit de woestijn weder naar den Jordaan. Daags te voren had Joannes aan een gezantschap van de Farizeërs, die hem vroegen, op wiens gezag

hij doopte, geantwoord: „Ik ben de Christus niet Ik ben

de stem eens roependen in de woestijn: Maakt den weg des

Heeren recht! gelijk Isaïas, de Profeet, gezegd heeft Maar

midden onder u staat Hij, dien gij niet kent: Hij is het, die na mij komen zal, die vóór mij geweest is, wiens schoenriem ik niet waardig ben te ontbinden". Jo. I, 19—27.

Toen nu Joannes Hem zag komen, legde hij een plechtige getuigenis af van Christus' Godheid: „Ziedaar het Lam Gods, ziedaar die de zonde der wereld wegneemt! Deze is het, van wien ik zeide: Na mij komt een man, die vóór mij geweest is, omdat Hij eer was dan ik". En hij voegde er nog bij: „Ik heb den Geest als een duif uit den hemel zien nederdalen, en Hij bleef op Hem. En ik, ik kende Hem niet; maar die mij gezonden heeft, om met water te doopen, Hij had mij gezegd: Op wien gij den Geest zult zien nederdalen en op Hem blijven, Hij is het, die doopt met den H. Geest.

') Zie 3, q. 41, a. 4. Over de bekoringen zal gesproken worden bij de 34^ les.

Sluiten