Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

streeks, maar wijst hen op zijn wonderwerken, en maakt tegelijk een duidelijke toespeling' op de messiaansche voorspelling van Isaïas: „Gaat heen en boodschapt aan Joannes, wat g'J gehoord en gezien hebt: Blinden zien, kreupelen gaan, melaatschen worden gereinigd, dooven hooren, dooden verrijzen, aan armen wordt het evangelie verkondigd; en zalig is hij, die zich aan Mij niet zal geërgerd hebben". Mt. XI, 4, 5, 6. Zie Is. LXI, 1.

b. Hij, de arme werkman van Nazareth, die een volmaakt toonbeeld was van nederigheid, verklaart uitdrukkelijk, in waardigheid alles te overtreffen, wat Israël ooit van groote mannen aanschouwd had: „Veel Profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien, wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien; en te hooren, wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord". Mt. XIII, 17. „Abraham, uw vader, verheugde zich, dat hij mijn dag zou zien; hij heeft dien gezien en zich

verblijd". Jo. VIII, 56. „De koningin van het Zuiden (Saba)

kwam van de einden der aarde, om Salomons wijsheid te hooren; en zie, meer dan Salomon is hier". Mt. XII, 42 x).

c. Christus heeft ook op uitdrukkelijke wijze getuigd, dat Hij de Messias is. Twee jaren van zijn openbaar leven waren verloopen en het laatste jaar was begonnen.

Christus was met zijn leerlingen te Cesarea Philippi en vroeg zijn leerlingen: „Wie zeggen de menschen, dat de Zoon des menschen is" ? Petrus antwoordde: „Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God"! Christus bevestigt de waarheid dezer woorden, want Hij prijst Petrus zalig, en voegt er bij, dat hij die kennis door een goddelijke openbaring ontvangen had. Mt. XVI, 13—17. Nochtans verbood Hij zijn leerlingen (om de vroeger vermelde reden), aan iemand te zeggen, dat Hij, Jezus, de Christus was.

Tot de Samaritaansche vrouw, die Hem voor een godsgezant aanzag en Hem zeide, dat zij den Messias verwachtte, sprak Hij: „Ik ben het, die met u spreek". Jo. IV, 26.

Eindelijk op het einde zijns levens, zal Christus zoo plechtig mogelijk getuigen, dat Hij de Messias is, en zal de volle beteekenis van den naam: Zoon des menschen, waardoor de nederige

') Lepin, p. 103.

Sluiten