Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord van Christus, dat geen menschen, maar de Vader van Christus hem die waarheid geopenbaard heeft; dit wordt bovendien nog bevestigd door de heerlijke belooning, aan Petrus geschonken: „En Ik, Ik zeg u: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen". Mt. XVI, 13—18.

Volgen wij Christus naar den Hoogen Raad der Joden. Geboeid staat Hij voor den hoogepriester. Gerechtelijk wordt Hij ondervraagd, en de vraag is kort, bondig en scherp; onder eede wordt zij voorgesteld: „Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij de Christus zijt, de Zoon Gods"! Mt. XXVI, 63.

Christus weet, dat de dood Hem wacht, als Hij een bevestigend antwoord geeft. Welnu, bij den levenden God en in het aangezicht des doods getuigt Christus: „Ik ben het". En, om het zoo duidelijk mogelijk te maken, dat hier van een natuurlijk zoonschap sprake is, voegt Hij er de schrikwekkende bedreiging bij: „Maar ik zeg u: Van nu af zult gij den Zoon des menschen zien, gezeten ter rechterzijde van de kracht Gods, en komende op de wolken des hemels". Mt. 64. De hoogepriester begrijpt ook de woorden in dien zin, want ten teeken van rouw scheurt hij zijn kleederen met den uitroep: „Hij heeft (God) gelasterd" ! En met algemeene stemmen wordt Christus wegens die godslastering door den Hoogen Raad ter dood veroordeeld (Mt. 65, 66). Later voor den rechterstoel van Pilatus bekennen zij, welke de ware reden zijner veroordeeling is: „Wij hebben een wet, en volgens die wet moet Hij sterven, omdat hij Zich tot Zoon van God gemaakt heeft". Jo. XIX, 7.

Dit alles wordt nog bevestigd door het algemeen geloof der eerste Christenen, die de tijdgenooten waren van Jezus. Dit algemeen geloof leeren wij kennen uit de brieven van den H. Paulus, die (behoudens een enkele uitzondering) zelfs volgens Harnack reeds in de jaren 48—59 geschreven zijn1).

Het blijkt derhalve uit de eerste drie evangeliën, dat Christus van zich zeiven getuigde, dat Hij de Zoon van God is, en waarachtig God, evenals de Vader. Wat nu het

1) Die Chronologie der Altchr. Litteratur, I, S. 717.

Sluiten