Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evangelie van Joannes betreft, dit werd geschreven, gelijk hij zelf aan het einde van zijn geschrift (XX, 31) getuigt, „opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij, geloovende, het leven hebt in zijn naam". Dit is de reden, waarom ongeloovigen en Modernisten alle geschiedkundige waarde aan dit evangelie ontzeggen. Nochtans staat zijn geschiedkundig gezag even vast en hoog, als het gezag der Synoptikers (Deel I, bl. 68).

Luisteren wij nog eenige oogenblikken naar de getuigenissen van Christus, gelijk zij door den Evangelist Joannes opgeteekend zijn.

Toen Hij op een Sabbat een lamme wonderdadig genezen had, en door de Joodsche overheid van sabbatsschennis beschuldigd werd, luidde zijn verdediging: „Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werke". Niet als aangenomen, maar als natuurlijke Zoon noemt Hij God zijn Vader, want nu zochten de Joden nog meer Hem te dooden, „omdat Hij niet alleen den Sabbat brak, maar ook God zijn Vader noemde, zich gelijk makende aan God" Jo. V, 10—18.

Niet alleen noemt Hij God zijn Vader, maar getuigt ook uitdrukkelijk, dat Hij mef Hem één van wezen is. Toen de Joden, op het feest der tempelwijding, er bij Hem op aandrongen ronduit te zeggen, of Hij de Messias was, verweet Hij dezen hun ongeloovigheid, beriep zich op zijn wonderwerken, en sprak: „Ik en de Vader, wij zijn één". De Joden verstaan die woorden als wezenseenheid met God, en willen Hem om godslastering steenigen. Wat doet nu Jezus? Herroept of verbetert Hij zijn woorden. Integendeel. Opnieuw wijst Hij op zijn wonderen, opnieuw verkondigt Hij zijn wezenseenheid, zijn in-elkander-zijn (circumincessio) met den Vader: „Opdat gij moogt kennen en gelooven, dat de Vader in Mij is, en Ik in den Vader" Jo. X, 22—38.

Christus kent zich herhaalde malen goddelijke eigenschappen, goddelijke werken toe: a. de almacht: „Alles, wat die (Vader) doet, dat doet ook de Zoon" V, 19; b. de eeuwigheid: „Eer Abraham werd, ben Ik" VIII, 58; c. de alomtegenwoordigheid: „De Zoon des menschen, die in den hemel is" III, 13; d. de geboorte uit den Vader: „Ik ben van den Vader

Sluiten