Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgegaan en in de wereld gekomen" XVI, 28; e. de zending van den H. Geest (XIV, 21; XV, 26, enz.) *).

Christus heeft derhalve veel malen getuigd, dat Hij de natuurlijke Zoon des Vaders, één van wezen met den Vader is. Zijn hoorders, vrienden en vijanden, hebben zijn getuigenis in strengen zin opgevat, en Christus heeft hen in hun meening versterkt. Is nu Christus geen God, dan is Hij, ofwel een grootheidswaanzinnige, die zich inbeeldde God te zijn, ofwel een godslasteraar en volksbedrieger, die, tegen beter weten in, zich als God heeft uitgegeven. Welnu, een grootheidswaanzinnige is Hij niet, want over geheel zijn leven straalt hemelsche wijsheid, en zijn leer is zoo verheven, dat met haar geen andere in vergelijking komt. Een godslasteraar en volksbedrieger is Hij evenmin, want zijn leven is zoo heilig, dat Hij tot zijn verwoedste vijanden mag zeggen: „Wie van u zal Mij van zonde overtuigen"? Jo. VIII, 46. Noch waanzin, noch bedrog is hier mogelijk, want Christus heeft de waarheid van zijn getuigenis door veel wonderen bekrachtigd.

104c. Hoe bewees Christus, dat Hij waarachtig God is?

Dat Hij waarachtig God is, bewees Christus vooral door groote wonderen, welke Hij door eigen macht in het bijzijn van vele menschen verrichtte.

Dat Hij waarachtig God is, bewees Christus:

1°. vooral door groote wonderen. Christus deed veel wonderen, om zijn Godheid te bewijzen: „Indien gij Mij niet wilt gelooven, gelooft aan de werken, opdat gij moogt kennen en gelooven, dat de Vader in Mij is, en Ik in den Vader". Jo. X, 38. En wijl Hij onder de oogen der Joden zulke grootsche wonderwerken verricht had, zijn de ongeloovigen onder hen onverschoonbaar: „Indien Ik onder hen de werken

') Door het decreet Lamentabili werden dan ook de volgende stellingen van Loisy veroordeeld : N. 27: „De Godheid van Christus wordt uit de evangeliën niet bewezen, maar is een leerstuk, dat het christelijk bewustzijn uit het messiasbegrip heeft afgeleid. N 30: In alle evangelische teksten staat de naam van Zoon Gods gelijk met den naam van Messias en beteekent hij geenszins, dat Christus de ware en natuurlijke Zoon Gods is". Zie ook N. 31. Denzinger, N. 2027—30.

Sluiten