Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Godheid. Geen wonder dan ook, dat het feit der verrijzenis door de Apostelen bij hun prediking op den voorgrond geplaatst wordt. Met het feit der verrijzenis staat of valt Christus en het Christendom. Is Christus niet verrezen, gelijk Hij voorspeld had, dan was Hij een godslasteraar en bedrieger, dan waren ook al zijn andere wonderwerken bedrog, dan werd Hij terecht ter dood veroordeeld. Is integendeel Christus werkelijk verrezen, dan is Hij de Godmensch, dan ligt in die verrijzenis tevens het onwraakbaar bewijs, dat alle andere wonderwerken, door Hem verricht, inderdaad goddelijke teekenen geweest zijn. Daarom mocht Paulus schrijven: „Is Christus niet verrezen, dan is ook onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof I Cor. XV, 14. Sinds negentien eeuwen trekt zich dan ook de groote strijd tusschen geloof en ongeloof samen rond het feit der verrijzenis.

Over dit alles-beheerschend feit spreekt de Katechismus bij Vr. 122.

Tot de wonderen van Christus behooren ook de profetieën, welke Hij gedaan heeft.

Een profetie is een zekere en vastomlijnde voorzegging eener toekomstige gebeurtenis, die alleen door God kan gekend worden. (Deel I, bi. 50). Welnu, Christus heeft duidelijk en nauwkeurig veel feiten voorspeld, die alleen door God konden gekend worden, en de waarheid zijner voorzeggingen is door de uitkomst bevestigd.

Hij voorspelde o. a. van zich zeiven: „Zie, wij gaan op naai Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden aan de Opperpriesters en de Schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordeelen, en Hem overleveren aan de heidenen, om Hem te bespotten en te geeselen en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij verrijzen" Mt. XX 18—19. Hij voorspelde het verraad van Judas (Mt. XXVI, 20 25), de drievoudige verloochening van Petrus vóór het tweede hanengekraai (Mc. XIV, 30), de verstoktheid der Joden en de verwoesting van Jeruzalem, waarvan niet een steen op den anderen blijven zou (Lc. XIX, 41—44), de algemeene verkondiging van het evangelie (Mt. XXIV, 14),

Sluiten