Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het lijden en de zegepraal zijner Kerk (Mt. XVI. 18). Al deze voorzeggingen dragen het kenmerk van echte profetieën, want zij zijn duidelijk, scherp omlijnd, vóór het gebeuren der feiten uitgesproken; zij betreffen gebeurtenissen, die niet in noodzakelijk-werkende oorzaken konden voorzien worden, omdat zij afhingen van vrij-werkende oorzaken. Zij zijn ook in vervulling gegaan, zooals blijkt uit de getuigenissen van de evangeliën, van joodsche en heidensche schrijvers 1). Sommige dezer profetieën voltrekken zich nog in onze dagen. Wij zijn immers nog altijd getuigen van den strijd, het lijden, de uitbreiding en de zegepraal der Kerk; wij aanschouwen nog altijd de verstrooide Joden, de aarde rondtrekkend als getuigen van eigen boosheid en van de waarheid des Christendoms2). Nog altijd ligt het oude Jeruzalem met zijn tempel in puin; en de wanhopige poging van Juliaan den Afvallige, om door den herbouw van Jeruzalems tempel de profetieën van Christus te logenstraffen, deed haar integendeel door het uitgraven der fondamenten letterlijk in vervulling gaan3).

De Katechismus (Vr. 104c) zegt: „Dat Hij waarachtig God is, bewees Christus vooral door groote wonderen". Hiermede geeft de Katechismus te verstaan, dat er ook nog andere bewijzen voor de Godheid van Christus zijn. Christus heeft n.1. het getuigenis voor zijn Godheid niet alleen bekrachtigd door physieke wonderen, maar ook nog door de verheven wijsheid zijner leer en de bovenmenschelijke heiligheid van zijn leven.

1°. Door de verheven wijsheid zijner leer.

De leer van Christus, zoowel de geloofs- als de zedenleer, is zoo verheven, dat zij niet het werk kan zijn van een zuiver mensch, maar een goddelijken oorsprong verraadt, gelet ook op de omstandigheden, waarin zij verkondigd werd.

De geloofsleer. Christus heeft de waarheden van den natuurlijken godsdienst zonder de minste dwaling geleeraard. Hij heeft den mensch onderwezen in de kennis van den éénen waren God, van de schepping, van Gods voorzienigheid enz.

') Flav. Jos. De bello Jud. VI, VII; Tacitus, Annal. XV, 13. 2) H. August. In Ps. LV1II, Serm. I, N. 21. 3) Ammianus Marcellinus, een hoofdman van het Romeinsch leger, verhaalt, dat er vuurbollen uit den grond opstegen, daarna uiteensprongen, zoodat de werklieden gewond werden en het terrein ontoegankelijk werd. Rer. gest. XXIII, 1.

Sluiten