Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het aan zijn leerlingen en zeide: „Neemt en eet! Dit is mijn Lichaam. En Hij nam den kelk, en dankte en gaf hun dien zeggende: Drinkt allen hieruit! want dit is mijn Bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen zal vergoten worden. (in den griekschen tekst: vergoten wordt) tot vergeving der zonden(Mt. XXVI, 26—28; Mc. XIV, 22; Lc. XXII, 19). Door zijn almachtig liefdewoord veranderde Jezus het brood in zijn H. Lichaam en den wijn in zijn H. Bloed. Door den Vader gezalfd tot priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech (Ps. CIX, 4), stelde de Zaligmaker zich niet tevreden, zich eenmaal voor de zaligheid der menschen bloedig op het kruis te slachtofferen, maar wilde Hij ook, om ons voortdurend aan zijn offerdood te herinneren en de vruchten van het kruisoffer op ons toe te passen, een onbloedige offerande instellen. De voorspelling van Malachias (I, 10 11), de voorafbeelding opgesloten in het brood- en wijnoffer van Melchisedech {Gen. XIV, 17, 18) gingen bij het laatste avondmaal in vervulling, toen Jezus zijn Lichaam en Bloed onder de gescheiden gedaanten van brood en wijn ten offer bracht (46e les).

En wijl nu Christus in eeuwigheid priester is volgens de orde van Melchisedech, den onbloedigen offeraar, moet ook zijn onbloedig offer worden opgedragen tot het einde der dagen. Dit offer werd dan ook vereeuwigd door het woord, dat Christus tot zijn Apostelen sprak: „Doet dit tot mijn gedachtenis"! Lc. XXII, 19. Door dit woord werden zij de eerstelingen der zich altijd voortschakelende rij van de priesters van het Nieuw Verbond, die bij het onbloedig offer, te zamen met de geloovigen, die aan den goddelijken offerdisch komen aanzitten, den dood des Heeren zullen verkondigen, totdat Hij als Rechter van levenden en dooden op een wolkentroon ten oordeel komt (1 Cor. XI, 26).

Nadat nu voor de eerste maal het Pascha van het Nieuw Verbond gevierd was, sprak Jezus met zijn Apostelen het dankgebed, waarmede de Joden gewoon waren hun paaschmaaltijd te sluiten. Hij houdt een zielroerende afscheidsrede en voorspelt de laffe vlucht zijner Apostelen: „Allen zult gij in dezen nacht aan Mij geërgerd worden; want er staat

Sluiten