Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krachten verzameld door het gebed. De mensch moet waken en bidden, om niet te bezwijken in den strijd. 3°. Petrus was vermetel; hij waagde zich in gevaarlijk gezelschap. De mensch, die het gevaar bemint, zal er in vergaan.

Bekeering van Petrus. Wanhoop van Judas.

Weer kraait de haan! Dit gekraai klonk in zijn ooren, maar door zijn ziel ging het woord van Jezus: „In dezen nacht zult gij, eer de haan tweemaal zal gekraaid hebben, Mij driemaal verloochenen"! Want Jezus, zich omkeerend, wierp een blik op Petrus. Die oogslag was niet de blik van den vertoornden rechter, maar de zacht-verwijtende, medelijdende, ontfermende, opbeurende, tot-zich-roepende blik van den diepbedroefden vader. Uit dien blik straalt licht in den verduisterden geest, vermorzelende en levenwekkende kracht in het zondig hart van den gevallen Apostel. Petrus aanschouwt in dien vaderlijken blik de oneindige beminnelijkheid van zijn goddelijken Meester. Grenzenlooze droefheid overmeestert zijn ziel, stroomt over in zijn zinnelijke vermogens, baant zich een uitweg in een vloed van tranen. En die tranen van liefde en droefheid waschten de ziel wit als sneeuw, en deden uit het van liefde brandend Hart van Jezus in het hart van Petrus een liefdegloed dalen, die nooit meer verkoelen zou. Want de bekeering van Petrus was vaardig, standvastig en werkdadig.

a. Vaardig. Petrus biedt geen enkel oogenblik weerstand aan de genade. Zoodra hij den liefdevollen blik van Jezus zag, ging hij naar buiten en weende bitter, b. Standvastig. Nooit deed Petrus een doodzonde meer, en zoo dikwijls hij een hanengekraai hoorde, begon hij te weenen. c. Werkdadig. Vierendertig jaren heeft hij voor Jezus gewerkt, gestreden, geleden, en duizenden zielen voor Jezus gewonnen, die door liefde eerherstel zouden brengen voor zijn gebrek aan liefde in den lijdensnacht. En toen zijn arbeid volbracht was, verheugde hij zich, als boeteling aan een kruis te mogen sterven, maar achtte zich onwaardig, om op dezelfde wijze als zijn Meester te worden gekruisigd. Zoo bewees Petrus de waarheid van zijn woord, eenige weken na zijn bekeering gesproken: „Heere, gij weet, dat ik u liefheb"! Jo. XXI, 15.

Sluiten