Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buiten de vereeniging van de Godheid en Menschheid, zoo volgt hieruit, dat de tweede Persoon der H. Drieëenheid vereenigd bleef èn met de ziel èn met het lichaam, die door den dood van elkander waren gescheiden.

Het concilie van Chalcedon heeft dan ook in 't jaar 451 als geloofswaarheid afgekondigd, „dat, volgens de leer der H. Vaders, een en dezelfde Christus in twee naturen onveranderlijk, onverdeeld, onafscheidelijk moet beleden worden" 1).

Niet van de ziel of van het lichaam afzonderlijk, maar van Christus, den menschgeworden Zoon Gods, heeft de Kerk altijd beleden, dat Hij is nedergedaald ter helle en begraven. Daarom ook gold bij alle katholieke godgeleerden als onomstootbare waarheid: „Wat het Woord eenmaal aannam, heeft Het nooit meer afgelegd". Om deze reden bleven de ziel en het lichaam van Jezus ook tijdens den dood een voorwerp van goddelijke aanbidding.

113a. Wat gebeurde er na den dood van Christus met zijn Lichaam ?

Na den dood van Christus werd zijn Lichaam met eene lans doorstoken, van het kruis afgenomen en in een nieuw steenen graf gelegd.

1°. Het lichaam werd met een lans doorstoken.

Het was Vrijdag ruim drie uren, en reeds te zes uren begon de Sabbat, die ditmaal bijzonder heilig was, omdat hij inviel gedurende het Paaschfeest. De Joden verzochten dan Pilatus, dat den kruiselingen de beenen zouden verbrijzeld worden, opdat de lijken nog vóór den avond van het kruis afgenomen en begraven konden worden. Deze groote Sabbat mocht niet ontheiligd worden door de drie vlak bij de stad opgerichte kruisen met hun stervende booswichten. Pilatus zond aanstonds eenige soldaten naar Calvarië, en deze maakten de twee moordenaars af door hun beenen te verbrijzelen. Toen zij zagen, dat Jezus reeds gestorven was, braken zij zijn beenen niet. Gods onzichtbare hand hield hen terug; want de profetie moest in vervulling gaan: „Gij zult geen been van Hem breken" 2). Om evenwel geheel zeker

) Denzinger, N. 148. 2) Exod. XII, 16. Dit voorschrift betrof het paaschlam, dat een voorafbeelding van Christus was.

II 1?

Sluiten