Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118. Waarom heeft Christus zooveel willen lijden?

Christus heeft zooveel willen lijden, om ons zijn oneindige liefde en de onmetelijke boosheid der zonden te toonen.

1°. Christus heeft zooveel willen lijden, om ons zijn oneindige liefde te toonen.

De Apostel Paulus wijst ons op den kruisdood, als het uitstekend bewijs der liefde, waarmede de Vader en zijn menschgeworden Zoon ons beminnen: „Want waarom is Christus, toen wij nog krank waren, te zijner tijd voor ons, goddeloozen, gestorven? Bezwaarlijk toch sterft iemand voor een rechtvaardige; want voor een weldoener heeft iemand misschien nog wel den moed van te sterven. Maar God verheft zijn liefde jegens ons (daardoor), dat Christus, toen wij nog zondaars waren, te zijner tijd voor ons gestorven is". Rom. V, 6—8. De Vader beminde den zondigen en strafschuldigen mensch met een liefde, die den welbeminden Zoon niet spaarde, maar ter dood leverde, om den mensch te redden (VIII, 32).

Aanbiddend bezingt de Kerk, bij de wijding der paaschkaars, die het zinnebeeld van Christus is, deze onbegrijpelijke liefde: „O, onschatbare uiting van liefde! Om den slaaf vrij te koopen, hebt Gij den Zoon overgeleverd"!

En wie zal de liefde begrijpen van een God, stervend aan een kruis voor zijn zondig schepsel? Is er, gelijk Jezus zelf zegt, geen grooter liefde, dan wanneer een mensch voor zijn vriend het leven opoffert (Joan. XV, 13), dan voorzeker gaat de liefde, die een Godmensch aan het kruis nagelt, om zijn vijanden, zijn beulen van den eeuwigen dood te redden, alle begrip van menschen en engelen te boven. Jezus stierf voor zijn vijanden! Maar welk een dood? Hij stierf een dood, voorafgegaan door de pijnlijkste martelingen, de gruwelijkste verguizingen, de folterendste zielesmarten, de eenzaamste verlatenheid. En zijn dood zelf was de schandelijkste en smartelijkste aller dooden! Zoo beminde ons Jezus met een liefde, die zoover alle menschelijke opvattingen te buiten ging, dat zij den heidenen krankzinnigheid scheen: „Wij prediken den gekruisigden Christus, den heidenen een dwaasheid". I Cor. I, 23. Wel

Sluiten