Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, maar bovendien door het eeuwig vuur gefolterd worden. Dit is de hel in gewone beteekenis, de strafplaats der duivelen en der menschen, die zware persoonlijke zonden bedreven, en in dien zondigen toestand stierven. 2°. De plaats, waar de zielen, die alleen met de erfzonde besmet zijn, enkel door de berooving der zaligende aanschouwing Gods gestraft worden. Hier verblijven de zielen der kinderen en levenslang-krankzinnigen, die zonder Doopsel deze aarde verlieten (voorgeborchte der kinderen). 3°. De plaats, waar de zielen der menschen, die in Gods vriendschap, maar nog schuldig aan tijdelijke straffen, gestorven zijn, gezuiverd worden (vagevuur). 4°. De verblijfplaats der heiligen, die vóór den dood van Christus stierven, en vrij waren van elke zonde en elke schuld, ofwel reeds in het vagevuur alles hadden uitgeboet (voorgeborchte der Vaders). Hier verbleven de zielen van Adam en Eva, van Abel, van de heilige Aartsvaders en Profeten, van Joachim, Anna, Jozef, enz. Deze heilige zielen waren vrij van elke foltering, genoten een zoete rust en de volle zekerheid der toekomstige zaligheid. Den hemel evenwel mochten zij nog niet binnengaan, omdat deze door de zonde van Adam nog altijd gesloten was. Eerst bij den zegepralenden intocht van Christus in zijn veroverd Koninkrijk zullen zij als hofstoet hun Koning volgen. De H. Paulus immers schrijft van de geloofshelden van het Oud Verbond: „En deze allen, die door het geloof getuigenis verwierven, ontvingen de belofte niet"; want „de weg tot het Heilige der heiligen was nog niet geopend", maar „Christus heeft ons (dien ingang) ingewijd als een nieuwen en levenden weg door het voorhangsel, dat is door zijn vleesch". Hebr. XI, 39; IX, 8; X, 20.

Dit voorgeborchte der Vaders wordt door Christus genoemd Schoot van Abraham en Paradijs (Lc. XVI, 22; XXIII, 43), omdat de heilige zielen daar in innige gemeenschap leefden met Abraham, den Vader der geloovigen, en hun verblijf in een paradijs veranderd zagen door de binnenstroomende zaligheid bij de intrede van Christus. In deze plaats toch is de ziel van Christus, onafscheidelijk met den goddelijken Persoon vereenigd, niet alleen door haar kracht en werking, maar met

Sluiten