Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

katholieke schrijvers, die deze vraag behandelen, ook deze leer verdedigen. En wijl men den tijd niet kan aanwijzen, waarop deze leer ingang vond, ligt het voor de hand, dat dit altijd het gevoelen der Kerk is geweest" -1).

Wij kunnen ons voorstellen, hoe Maria, die uit de H. Schrift en ook uit den mond van Jezus wist, dat Hij den derden dag zou verrijzen, den paaschnacht niet binnen Jeruzalem, maar in de nabijheid van Calvarië heeft doorgebracht, dat zij, die de eerste getuige van Christus' wonderbare geboorte was, ook getuige geweest is van zijn wonderbare opstanding uit de dooden, zijn verrijzenis uit het gesloten graf. Wij kunnen ons evenwel niet voorstellen, hoe groot de hemelsche vreugde van Maria geweest is, toen zij haar Zoon zoo zegepralend verrezen zag, dien zij drie dagen te voren had zien sterven aan het kruis. Zingen wij onze lieve Moeder, wier onuitsprekelijk lijden in onbeschrijfelijke vreugde verkeerd is, den lofzang der Kerk toe: „Verheug u, Koningin des hemels, alleluia. Want Hij, dien gij waardig geweest zijt te dragen, alleluia. Is verrezen, gelijk Hij gezegd heeft, alleluia".

2°. Aan zijn leerlingen.

De Zaligmaker heeft zich na zijn verrijzenis — voor zoover uit de H. Schrift blijkt — tienmaal vertoond aan zijn leerlingen.

le. Het eerst verscheen Hij aan de boetvaardige zondares Maria Magdalena. Toen deze trouwe leerlinge Jezus zag staan, (bl. 283), dacht ze, dat Hij de hovenier was. Jezus vraagt haar: „Vrouw! waarom weent gij? Wien zoekt gij"? In de meening, dat wellicht deze man het lijk heeft weggevoerd, antwoordt ze: „Heer! indien gij Hem hebt weggenomen, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem halen". En weder vestigt zich haar blik op de plaats, waar het lijk van haar Meester gerust had. Jezus wil haar angstig-zoekende liefde en droefheid niet langer beproeven en zegt: „Maria"! Ze herkent de stem van haar Meester; de sluier valt van haar oogen; de angst en droefheid maken plaats voor onbeschrijfelijk zielsgenot. Van vreugde buiten zich zelve, valt zij

l) Mysteria vitae Christi, D. 49, S. 1.

Sluiten