Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesloten (Jo. XX, 19) en daar staat, in het nachtelijk uur, opeens die verschijning voor hun oogen! Zij meenden, dat de gedaante, die zij aanschouwden, niet hun Meester, maar een geest in menschelijke gedaante was. Toen sprak Jezus: „Waarom zijt gij ontsteld, en komen er gedachten op in uw harten. Beschouwt mijn handen en voeten, dat Ik het zelf ben; betast (nu) en ziet, dat een geest geen vleesch en beenderen heeft, gelijk gij ziet, dat Ik heb". Na dit gezegd te hebben, toonde Hij hun zijn handen, voeten en zijde. Nu mochten zij het lichaam van Jezus aanraken en de litteekenen zijner H. wonden betasten. Hoewel er nu geen twijfel meer mogelijk was, waren zij zoo buiten zich zelve van vreugde, dat ze twijfelden aan de werkelijkheid van hetgeen zij met eigen oogen aanschouwden, met eigen handen voelden. Om nu den laatsten schijn en vrees voor zinsbegoocheling weg te nemen, zeide Jezus: „Hebt gij hier iets te eten"? Ze gaven Hem een stuk van een gebraden visch en een honigraat. En Hij at er van voor hun oogen en deelde, gelijk Hij vroeger gewoon was, het overschot onder hen uit.

(Lc. XXIV, 33—43)l).

Bange vrees en twijfel waren nu geweken en groote vreugde verblijdde hun harten. De Zaligmaker herhaalde nu den groet, bij zijn verschijning den leerlingen toegebracht: „Vrede zij u"! En Hij voegde er bij: „Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zende ook Ik u". Na deze woorden gesproken te hebben, blies Hij over zijn Apostelen, en sprak: „Ontvangt den Heiligen Geest; wier zonden gij vergeven zult, dien worden zij vergeven; en wier (zonden) gij houden zult, dien zijn zij gehouden". Jo. XX, 21—24. Onder het zinnebeeld van den adem werd de Heilige Geest op zichtbare wijze over de Apostelen uitgestort 2); en door de woorden: „Wier zonden" enz., ontvingen de Apostelen de macht, om in het H. Sacrament van boetvaardigheid de zonden te vergeven 3).

') Het verheerlijkt lichaam van Jezus had geen behoefte aan voedsel meer, maar Jezus had toch de macht dat voedsel te gebruiken en weder uit zijn lichaam, zonder spijsvertering te verwijderen. 2) 1, q. 43, a. 7 ad 6. 3) Conc. Trid. sess. 24, can. 3.

Sluiten