Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6°. De Apostel Thomas was bij deze verschijning niet tegenwoordig. Waarschijnlijk heeft hij onder het verhaal der Emmaüsgangers ongeloovig de zaal verlaten, om nog in denzelfden laten avond weder bij de Apostelen terug te keeren. Toen deze hem zagen, zeiden ze: „Wij hebben den Heer gezien"! Thomas wilde niet gelooven, dat zij den Heer gezien hadden in zijn waarachtig lichaam. Hij dacht aan een verschijning van Jezus' geest en vreesde, dat de Apostelen niet nauwkeurig genoeg onderzocht hadden, of die verschijning werkelijk het gekruisigd lichaam was. Daarom sprak hij: „Indien ik niet in zijn handen de gaten der nagelen zie en mijn vinger steek in de plaats der nagelen en mijn hand steek in zijn zijde, zal ik het niet gelooven".

Den volgenden Zondagavond waren de Apostelen weder vergaderd en Thomas was onder hen. Terwijl de deuren gesloten waren, stond Jezus in hun midden, en zeide: „Vrede zij u". Hierop richt Hij het woord tot Thomas en geeft hem tegelijk een bewijs zijner goddelijke alwetendheid: „Breng uw vinger hier, en bezie mijn handen; en breng uw hand en steek haar in mijn zijde; en wees niet ongeloovig, maar geloovig". Ten volle overtuigd van Jezus' verrijzenis en van Jezus' Godheid, roept hij uit: „Mijn Heer en mijn God"! De Zaligmaker hernam: „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd, zalig zij, die niet gezien en toch geloofd hebben"! Jo. XX, 24—29.

7°. De paaschweek is ten einde. De leerlingen keeren terug naar Galilea, gelijk hun ook door den Heer bevolen was (Mt. XXVIII, 10). Voor hen is de tijd nog niet gekomen, om als getuigen der verrijzenis op te treden; zij zoeken weder hun scheepjes en netten, om het dagelijksch brood te verdienen. Op zekeren avond ging Petrus met Thomas, Nathaniël, Joannes, Jacobus en twee anderen ter vischvangst op het meer van Tiberias of Genesareth. Ze werkten den geheelen nacht, maar vingen geen enkel vischje. Bij het aanbreken van den dag stond Jezus op den oever, maar de leerlingen herkenden Hem niet. Jezus riep hun toe: „Kinderen! hebt gij eenige toespijs"? m. a. w.: Mannen! hebt gij visch? Ze meenden wellicht, dat het een koopman was, en antwoordden:

Sluiten