Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen"! Jezus riep hun wederom toe: „Werpt het net uit ter rechterzijde van het schip, en gij zult er vinden"! Zij volgden dien raad, en eensklaps was het net zoo vol visschen, dat zij het niet boven water konden trekken. „Het is de Heer"! roept nu Joannes tot Petrus. De vurige Petrus trekt zijn bovenkleed aan, springt in zee, om zwemmend en wadend den oever te bereiken. De andere leerlingen kwamen met hun scheepje naar den oever, terwijl zij het volle net door het water meesleepten. Aan land gekomen, zien zij een kolenvuur, met visch erop en brood, het gewone visschersontbijt. Dit wonderwerk van Jezus' scheppende almacht moest de leerlingen overtuigen, dat de rijke vangst ook zijn wonderwerk geweest was. Toen beval Jezus: „Brengt van de visschen, die gij nu gevangen hebt". Petrus steeg op het schip, trok het net aan wal, en zij hadden honderd drie en vijftig groote visschen, en stonden verbaasd, dat het net niet scheurde. Jezus noodigde nu zijn leerlingen tot het gereedstaand ontbijt, en in hun midden gezeten, gaf Hij hun van het brood en den visch.

Toen zij ontbeten hadden, sprak Jezus tot Simon Petrus: „Simon, zoon van Joannes! bemint gij Mij meer dan dezen"? Petrus, aan zijn vroeger verloochening indachtig, laat het tweede gedeelte der vraag onbeantwoord en zegt: „Ja, Heere, Gij weet, dat ik U liefheb"! Jezus zegt: „Weid mijn lammeren"! Andermaal vraagt Jezus: „Simon, zoon van Joannes, bemint gij Mij"? Petrus antwoordt ten tweeden male: „Ja, Heere, Gij weet, dat ik U liefheb" ! Jezus herhaalt: „Weid mijn lammeren"! Ten derden male vraagt Jezus: „Simon, zoon van Joannes, hebt gij Mij lief"? Petrus wordt bedroefd; want de driemaal herhaalde vraag herinnert hem aan zijn drievoudige verloochening. Petrus is niet meer de vermetele Petrus van vroeger; hij vreest voor eigen zwakheid; hij vermoedt in de drievoudige vraag een voorspelling van nieuwe trouweloosheid. — Maar nu toch beminde hij zijn Meester zoo vurig; dat wist zijn alwetende Meester beter dan hij zelf: „Heere! — zoo antwoordde hij — Gij weet alles; Gij weet, dat ik U liefheb"! Jezus antwoordt weder: „Weid mijn schapen"! Jezus wil bovendien zijn Stedehouder niet in de bange onzekerheid laten omtrent de standvastigheid zijner liefde, maar Hij

II 19

Sluiten