Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorspelt hem den marteldood, waardoor hij eenmaal, aan het kruis, zijn onwankelbare trouw zal bezegelen: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, toen gij jonger waart, gorddet gij u zeiven, en gingt gij, waarheen gij wildet; maar wanneer gij oud zult geworden zijn, zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en leiden, waarheen gij niet wilt". — „Volg Mij". (Jo. XXI). Nadat Petrus den Zaligmaker naar het toekomstig lot van Joannes gevraagd had, zonder een bevredigend antwoord te ontvangen, verdween Jezus weder uit de oogen zijner leerlingen.

8°. Deze plechtige verschijning werd door een nog plechtiger gevolgd. Volgens het bevel van Jezus, hadden de Apostelen zich naar een berg van Galilea begeven, vergezeld door een talrijke schare van leerlingen. Van deze verschijning spreekt de ,H. Paulus, als hij schrijft: „Daarna is Hij verschenen aan vijfhonderd broeders tegelijk, van welke velen tot nu toe leven 2), sommigen echter ontslapen zijn". I Cor. XV; 6. Zoodra de Zaligmaker daar in den luister zijner heerlijkheid verscheen, vielen de leerlingen in aanbidding voor Hem neder. En tot de Apostelen naderend, sprak Jezus deze plechtige woorden: „Mij is gegeven alle macht in den hemel en op aarde. Gaat dan en onderwijst alle volken, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; hen leerende onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld". Mt. XXVIII, 18—20.

9°. De Apostel spreekt in denzelfden brief nog van een verschijning aan Jacobus, den bloedverwant des Heeren (XV, 7).

10°. Eindelijk verscheen Jezus, op den veertigsten dag na zijn verrijzenis, aan zijn Apostelen in een zaal te Jeruzalem, en voerde hen toen naar den Olijfberg, om van daar ten hemel op te varen. Zie Vr. 126.

*) Waarschijnlijk doelde Christus op deze plechtige verschijning, toen Hij tot de vrouwen sprak: „Gaat, bericht mijn broederen, dat zij naar Galilea gaan; daar zullen zij Mij zien". Mt. XXVIII, 10. 2) Dezen konden nog als getuigen optreden, toen Paulus dezen brief schreef, d. i. omstreeks 20 jaren na Jezus' verrijzenis.

Sluiten