Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus als een bewijs van zijn apostelambt. (Zie Act. I, 21, 22): „Ben ik niet een Apostel? Heb ik niet Christus Jezus, onzen Heer, gezien"? I Cor. IX, 1. 3°. Paulus trekt uit de verrijzenis van Christus een bewijs voor de verrijzenis der dooden. Maar de dooden zullen in hun eigen lichaam verrijzen: „Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid". 1 Cor. XV, 14 en 53. Derhalve moet ook Christus verrezen zijn in hetzelfde lichaam, dat gestorven en begraven is 1).

3°. De prediking der Apostelen.

De Katechismus zegt: dat Christus waarlijk verrezen is, weten wij vooral uit de getuigenissen van zijne leerlingen, aan wie Hij meermalen verscheen.

Om als getuigen der verrijzenis te kunnen optreden is het niet noodig, dat men ooggetuige was van de verrijzenis zelve. Weet men zeker, dat iemand gestorven is, en ziet men hem later in zijn levend lichaam terug, dan is het ook zeker, dat hij verrezen is.

De Apostelen hebben getuigd, dat Christus waarlijk verrezen is.

Dit blijkt: a. Uit de evangeliën van Mt., Mc. en Lc., die, zelfs volgens Harnack, tusschen het jaar 60—70 geschreven zijn. Hadden de eerste Christenen de Apostelen niet hooren prediken over de lichamelijke verrijzenis van Christus, dan zouden die Christenen de evangeliën met hun verrijzenisverhalen nooit als gezaghebbende geschiedboeken, veel minder nog als goddelijke boeken aanvaard, maar als fabelen verworpen hebben. Dit blijkt uit het verwerpen der apocryfen.

b. Dit staat tegen de nieuwere ongeloovigen nog meer vast uit de brieven van den H. Paulus.

In zijn reeds genoemden eersten brief aan de Corinthiërs, spreekt hij van eenige verschijningen van den verrezen

1) Zie verder Mangenot, p. 124—176; Ladeuze, La Résurrection du Christ (Bruxelles 1908) p. 37—51. Dit werkje werd vertaald door Bas. van Kasteren, Ord. Carm. onder den titel: Christus' Verrijzenis (Gel. en Wet. S. V, N. 3).

Sluiten