Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Weet gij niet, dat uw leden een tempel zijn van den Heiligen Geest, die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij niet u zeiven toebehoort"? I Cor. VI. 19.

Is onze ziel de tempel van den Heiligen Geest, dan mogen in die ziel geen vreemde goden wonen. „Wat overeenkomst — schrijft de H. Paulus — heeft Gods tempel met de afgoden? Gij toch, gij zijt de tempel van den levenden God, gelijk God zegt: Ik zal onder hen wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn". II Cor. VI, 16. Die vreemde goden zijn de zonden. Wij moeten onze ziel als den tempel Gods heilig houden; alles, wat in die ziel omgaat, moet een hulde zijn aan den Allerhoogste.

Is ook door de ziel ons lichaam de tempel van den Heiligen Geest, dan moeten wij ook ons lichaam heilig houden. Eusebius verhaalt, dat de H. Leonidas dikwerf met eerbied zijn lippen drukte op de borst van zijn kindje Origenes, omdat hij in het lichaam van zijn zoontje het heiligdom van den Heiligen Geest wilde vereeren *).

„Dit is Gods wil, uw heiliging, dat gij u onthoudt van ontucht; dat eenieder uwer wete zijn eigen vat (lichaam) te bezitten in heiligheid en eer, niet in drift en begeerlijkheid, gelijk de heidenen, die God niet kennen. Wie dit veracht, veracht niet een mensch, maar God, die ook zijn Heiligen Geest onder ons gegeven heeft". I Thess. IV, 3, 4, 8. „Nu, indien iemand den tempel Gods verderft (schendt), dien zal God verderven (straffen); want Gods tempel is heilig, en die zijt gij"! I Cor. III, 17. Wij moeten derhalve den oneindig heiligen God, dien wij in ons lichaam dragen, verheerlijken (I Cor. VI, 20) door een kuisch leven. „Dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk lichaam, zoodat gij aan zijn begeerlijkheden zoudt gehoorzamen, en biedt ook uw leden niet der zonde aan tot werktuigen der ongerechtigheid". Rom. VI, 12—13.

De Heilige Geest is met zijn zelfstandigheid en wezen in de ziel van den rechtvaardige, maar dit niet alleen; want Hij is in die ziel nog bovendien door zijn bijzondere werking.

') Hist. Eccl. lib. II, cap. 2.

21*

Sluiten