Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Heilige Geest is een levende God, Hij is de geest, de adem van het goddelijk leven. Hij moet dan ook in de ziel wonen, om haar den adem van het goddelijk leven in te storten. Gelijk Hij de ziel der Kerk is, eveneens wordt Hij, als het ware, de ziel van onze ziel, haar bezielend met het goddelijk leven der heiligmakende genade. Hij versiert de geheiligde ziel, die zijn bruid en kind Gods werd, met den hemelschen stralenkrans der bovennatuurlijke deugden; Hij schenkt haar den rijken bruidschat zijner zeven goddelijke gaven, waardoor zij die werken van heiligheid verricht, welke de twaalf vruchten van den Heiligen Geest genoemd worden.

Welke zijn die zeven gaven van den Heiligen Geest ?

Die zeven gaven worden opgenoemd door den Profeet Isaïas, als hij van den Messias voorspelt: „Op Hem zal rusten de Geest des Heeren, de geest van wijsheid en des verstands, de geest des raads en der sterkte, de geest der wetenschap en der godsvrucht; en vervullen zal Hem de geest van de vreeze des Heeren". XI, 2, 3.

„De gave der wijsheid verkwikt door de zekere kennis der dingen, welke in het licht van God naar hun waarde geschat worden. De gave des verstands geeft licht, om te onderscheiden en voorzichtig te handelen. De gave des raads helpt, om in twijfel volgens God te beslissen. De gave der sterkte geeft bovennatuurlijke kracht, om voor deugd en gerechtigheid ook de zwaarste offers te brengen. De gave der wetenschap doet kennen, welke goede werken in gegeven omstandigheden Gode welgevallig en den mensch tot heil zijn. De gave der godsvrucht spoort den wil aan tot innige liefde voor God, welke zich openbaart in goede werken ter eere Gods en tot welzijn van den evenmensch. De vreeze des Heeren doet elke zonde vermijden, omdat deze God als rechtvaardigen rechter en als goeden Vader beleedigt en bedroeft" 1). Die heerlijke gaven — zegt de H. Thomas — maken den mensch geschikt, om de inspraken en opwekkingen van den Heiligen Geest vaardig en getrouw te volgen 2).

1) Jos. Schets i. h. I. 2) 1. 2. q. 68, a. 3.

Sluiten