Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtzinnig hart in Hem gelooven. De zichtbare kerkgenootschappen met hun zichtbaar gezag zijn menschelijke instellingen.

b. Volgens Harnack, den gevierden meester der moderne Protestanten, noemt Christus Zich Zoon Gods, niet omdat Hij een van wezen is met den Vader, maar omdat Hij overtuigd was, God als Vader te kennen gelijk geen vóór Hem. Het Christendom, door Hem gepredikt, is in wezen niets anders dan een vaag gevoelsgeloof aan God, als Vader, een geloof, zich openbarend enkel en alleen in de liefde tot den naaste 1).

Christus zelf heeft geen Kerk gesticht, maar zijn leerlingen, door de Joden vervolgd, vormden eigen, afgescheiden vereenigingen, waaruit, omstreeks het midden der derde eeuw, onder den invloed vooral van de machtige christengemeente van Rome, de Katholieke Kerk te voorschijn trad. Deze Kerk ontleende veel leerstellingen aan de grieksche wijsbegeerte en nam de maatschappelijke inrichting over van het romeinsch keizerrijk. Zoo is zij afgeweken van den geest van Christus en van het zuiver evangelie 2).

c. Ook het Modernisme loochent, dat Christus de stichter der Kerk is. Volgens de Modernisten heeft Christus er nooit aan gedacht, een Kerk te stichten als een maatschappij, bestemd om op aarde een lange reeks van eeuwen voort te bestaan' (Lamentabili, N. 52). Christus meende zelfs, dat het einde der wereld nabij was. De Kerk is integendeel de vrucht van het gemeenschappelijk godsdienstig bewustzijn der eerste Christenen. Dezen voelden n.1. de behoefte, hun innerlijke geloofservaring aan anderen mede te deelen.

Toen eenmaal dat geloof onder velen verspreid was, voelden die velen de noodzakelijkheid, een vereeniging te vormen. Maar wijl nu een vereeniging niet kan bestaan zonder gezag, werd er tegelijk een kerkelijk gezag ingesteld 3). Nochtans is de maatschappelijke of organische inrichting der Kerk niet onveranderlijk, maar de christelijke maatschappij is, gelijk

') Das Wesen des Christenthums. Over dit gevaarlijk boek leze men De Katholiek, Deel 125 en Is. Vogels, Moderne Christenen (Gel. en Wet. s. 111, N. 2). 2) Lehrbuch der Dogmengeschichte, I3, s. 41, v.v. Meeningen van andere ongeloovigen geeft Battifol, L'Église naissante et le Catholicisme6 (Paris, Lecoffre, 1913) p. 172—193. 3) Pascendi, Denzinger, N. 2091.

Sluiten