Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pilatus van zijn koningschap en zijn koninkrijk (Jo. XVIII, ^ '37). Dezelfde Kerk is ook een huis, gebouwd op de steenrots (Mt. XVI, 18, 19), één kudde onder één herder (Jo. X, 16). Al deze gelijkenissen, waarmede de Profeten en Christus zelf de Kerk hebben uitgebeeld, wijzen op een maatschappelijke inrichting.

2°. Veel meer nog dan uit deze gelijkenissen, blijkt uit het feit der instelling zelve, dat Christus zijn Kerk als maatschappij gesticht heeft. Christus immers heeft de Kerk zoo gesticht, zoo ingericht, dat daarin al de bestanddeelen eener maatschappij worden aangetroffen.

a. De Kerk immers is een vereeniging van meerdere personen. Alle menschen worden door Christus tot zijn Kerk geroepen (Mt. XXVIII, 19, 20) en ontelbaren lieten zich door het Doopsel in de Kerk opnemen.

b. In nauwe eenheid streven die velen, volgens den wil van Christus, naar eenzelfde doel, de heiligheid in dit, de zaligheid in het andere leven (Vr. 142).

c. Zij streven naar dit doel met dezelfde middelen, die tegelijk de zichtbare banden der gemeenschap zijn. Deze middelen zijn a. het geloof, ook uitwendig beleden (Mc. XVI, 15, 16; Mt. X 32, 33), b. het Doopsel (Jo. III, 5), de H. Eucharistie (yo.VI, 52, 53) de andere H. Sacramenten, het naleven der geboden (Mt. XVIII, 20).

d. Zij streven naar dit doel onder de verplichtende leiding van een zichtbaar gezag. De leden dezer vereeniging hebben niet gelijke rechten, want aan sommigen (de geestelijken) gaf Hij het recht te leeraren, de H. Sacramenten te bedienen, de Kerk te besturen, aan de anderen (de leeken) legde Hij den plicht op, die rechten te eerbiedigen. (Zie Vr. 134).

III. Christus heeft zijn Kerk gesticht als een zelfstandige maatschappij, geheel onderscheiden van de synagoog der Joden.

In de eerste jaren der Kerk namen de Christenen deel aan de godsdienstige plechtigheden der Joden. Zij bezochten den tempel van Jeruzalem en onderhielden de ceremoniëele wetten van Mozes J).

7..'),DeZe wetten omvatten alle voorschriften van den joodschen godsdienst. Zij hadden betrekking op de heilige plaatsen, de bedienaren van het

Sluiten