Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze wetten bleven van kracht tot den dood van Christus. Hoewel de Zoon des menschen, als Heer van den Sabbat, (Mt. XII, 8) boven die wetten stond, wilde Hij toch, om allen een voorbeeld van nederigheid en gehoorzaamheid te zijn, die wetten onderhouden. Ook de Apostelen volbrachten, als godvreezende Israëlieten, alle ceremoniëele voorschriften.

Bij den dood van Christus was de ceremoniëele wet niet langer van kracht (mortua), want de godsdienstige plechtigheden der Joden waren slechts voorbeduidingen van het verlossingswerk, dat door Christus op het kruis voltrokken werd. Ten teeken hiervan scheurde het voorhangsel des tempels en werd het Heilige der heiligen opengezet J).

In de eerste jaren na de afschaffing der ceremoniëele wet, was het nog niet verboden deze wet te onderhouden, nochtans op voorwaarde, dat men haar niet beschouwde als verplichtend of als een voorbeduiding van den toekomstigen Messias.

Wij zien dan ook de Apostelen en de eerste Christenen den tempel bezoeken en zich schikken naar de ceremoniëele gebruiken der Joden. (Act. II, XVI, 3; XXI, 23—27). Zoo wilden zij de Joden voor het Christendom winnen, en de synagoog, hun oude gestorven moeder, met eere begraven.

Nadat het evangelie genoegzaam over de wereld verspreid was, en in 't jaar 70 de synagoog onder de rookende puinhoopen van stad en tempel bedolven werd, de Joden, uiteengejaagd, over de aarde verstrooid werden, bestond er geen reden meer, de synagoog nog langer te eeren. Van toen af was het verboden de ceremoniëele wet nog langer te onderhouden; zij was niet alleen gestorven, dood in zich zelve, maar ook doodelijk (mortifera) voor de Christenen.

Het deelnemen der Apostelen en der eerste geloovigen aan de godsdienstige plechtigheden der Joden, was in geen enkel opzicht een beletsel voor de zelfstandigheid en onafhankelijkheid der jeugdige Kerk.

a. De Kerk heeft, reeds bij haar eerste optreden op het eerste Pinksterfeest, haar eigen geloofsleer, haar eigen geloofsbelijdenis. In tegenstelling met de synagoog belijdt zij den

heiligdom, de offers, de feesten en ook den huiselijken godsdienst der Israëlieten. 2) 1. 2. q. 103, a. 3, ad 3.

Sluiten