Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslissen de Apostelen, dat de mozaïsche wet voor de Christenen niet verplichtend is. Als groote woordvoerder treedt hier Petrus op; hij verbiedt, het juk der mozaïsche wet den bekeerlingen uit het heidendom op te leggen, wijst op de genade van Jezus Christus, als het middel ter zaligheid, en geeft hierdoor duidelijk te verstaan, dat ook voor de bekeerlingen uit de Joden de wet niet verplichtend is. (Act. XV).

Het staat derhalve vast, dat de Kerk, al gaat zij in het uitwendige met de ceremoniëele en de nationale gebruiken der Joden nog een tijd mede, toch in haar wezen, reeds van den beginne af, als een zelfstandige, onafhankelijke maatschappij optreedt. Noch de vervolging der Joden, noch de H. Paulus (gelijk sommige ongeloovigen beweren) hebben haar van de synagoog gescheiden. Zij was er innerlijk nooit mede vereenigd, want Christus zelf heeft haar als een zelfstandige, onafhankelijke maatschappij ingericht:).

134. Wie zijn door Christus aangesteld, om de H. Kerk te besturen?

Om de H. Kerk te besturen zijn door Christus de Apostelen en hunne opvolgers aangesteld.

De Protestanten (de High Church der Anglicanen uitgezonderd) beschouwen het kerkelijk gezag niet als een goddelijke, maar slechts als een kerkelijke en derhalve als een menschelijke instelling 2).

De Jansenisten nemen wel aan, dat Christus het kerkelijk gezag heeft ingesteld, doch zij beweren, dat Hij dat gezag niet onmiddellijk gegeven heeft aan de kerkelijke overheid, maar aan de gemeenschap der geloovigen, die het op de overheid overdraagt.

Volgens deze dwaalleer zijn de kerkelijke overheden de vertegenwoordigers van het christenvolk 3).

*) Zie Mertens, De Hiërarchie, H. I. 2) Over de dwaling- der ongeloovigen en Modernisten is reeds gesproken op bl. 5. Hierbij behooren twee veroordeelde stellingen uit de werken van Loisy (Lamentabili, N. 50 en 54. Denzinger, N. 2050, 2054). 3) Deze dwaling, die reeds vroeger door de synode van Pistoja (in Toskane) geleeraard was, werd den 28en Aug. 1794 door Pius VI als kettersch veroordeeld. Denzinger, N. 1502.

Sluiten