Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Klein-Azië vierden den 14den Nisan, op welken dag hij ook viel, den sterfdag van Christus en twee dagen later het Paaschfeest. Al de andere kerken vierden Paschen op Zondag na den 14den Nisan, en twee dagen vroeger den sterfdag van Christus. Toen joodsche dwalingen (de ketterij der Quartodecimanen) zich in het geding mengden, trad Paus Victor krachtig op, en bedreigde de onwilligen met den kerkelijken ban J).

2°. Allerwegen beroepen zich de oude Bisschoppen op het gezag der Bisschoppen van Rome, om hun bestreden rechten gehandhaafd, hun gekrenkte rechten hersteld te zien. Athanasius, de groote patriarch van Alexandrië en de geweldige bestrijder der Arianen, werd in 340 door de Bisschoppen van Egypte en Lybië bij Paus Julius I tegen valsche beschuldigingen verdedigd. De beroemde patriarch van Constantinopel, de H. Joannes Chrysostomus, door keizer Arcadius en goddelooze Bisschoppen in 404 van zijn zetel beroofd, zoekt rechtsherstel bij Paus Innocentius I.

3°. Het gezag der Bisschoppen van Rome was altijd zoo onbetwist, dat zelfs de ketters — zoolang zij, hoewel te vergeefs, op een goeden uitslag hoopten — zich op de Bisschoppen van Rome beriepen. Dit deden Nestorius, Eutyches, Pelagius en anderen, en in latere eeuwen ook Luther.

4°. Al deze feiten krijgen grooter bewijskracht, doordien ook de christelijke oudheid het oppergezag der Bisschoppen van Rome heeft geleeraard.

Zoo leert de H. Irenaeus (f 202), „dat elke kerk met de Kerk van Rome moet overeenstemmen om haar hooger gezag (propter potentiorem principalitatem)" 2). Tertulliaan erkent, na zijn afval van het geloof, met bitterheid de katholieke leer over het oppergezag der Pausen 3). En de H. Cyprianus (f 258) schrijft, „dat de bisschopszetel van Rome de stoel van Petrus is, de voornaamste aller kerken, waaruit de priesterlijke eenheid ontstaan is". En hij voegt er bij, „dat hij, die den stoel van Petrus, op wien de Kerk gebouwd is, verlaat, geen lid der Kerk meer is 4). Athanasius, Basilius, Hieronymus,

!) Eusebius, Hist. Eccl. V, 26—27. 2) Adv. haeres III, 3. 3) De Pud cap. I. *) De Unit. Eccl. N. 4. Ep. 55.

Sluiten