Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paus alleen, want de volheid der kerkelijke macht is door Christus aan zijn stedehouder gegeven. Nochtans kan om sommige omstandigheden het gezag eener algemeene kerkvergadering, met den Paus aan het hoofd, uiterlijk grooter zijn. De uitspraak immers eener algemeene kerkvergadering, waartoe alle Bisschoppen der wereld werden opgeroepen, klinkt plechtiger dan een pauselijke uitspraak; zij plaatst de overeenstemming der geheele Kerk in het volle licht. Om deze reden zal zulk een uitspraak meer indruk maken, en kan in sommige gevallen een algemeene kerkvergadering zedelijker wijze noodzakelijk zijn, om opkomende dwalingen te onderdrukken, scheuringen te dempen of andere gevaren te bezweren 1).

De Paus benoemt en ontslaat de Bisschoppen, sticht en ontbindt kerkelijke orden, enz.

Titel en Ornaat des Pausen.

In den beginne werden alle Bisschoppen en priesters pater, nannag (vader, Paus) genoemd, maar later, vooral na het decreet van Gregorius VII in het romeinsch concilie van 1073 2), alleen de Bisschoppen van Rome. Naar het woord, door Christus tot Simon gesproken (Mt. XVI, 17: „Zalig zijt gij, Simon, zoon van Joannes"), noemde men den Paus eerst: „Zaligste Vader", later evenwel kwam „Heilige Vader in gebruik. Die benaming herinnert ons, dat de Paus de plaatsvervanger is van Jezus Christus. Daarom draagt hij ook het ■witzijden gewaad, als zinnebeeld der heiligheid.

De tiaar of driekroon is een met drie gouden kronen versierde mijter. De tiaar, aanvankelijk met één kroon, werd het eerst gedragen door Silvester I (314 335), later onder Bonifatius VIII (1294—1303) werd er een tweede kroon bijgevoegd, en eindelijk sedert Urbanus V (1362—1370), volgens anderen sedert den tegenpaus Petrus de Luna, die zich Benedictus XIII noemde (1394—1398), een derde. De driekroon is het hoofdkenteeken der pauselijke waardigheid. De geleerden redetwisten over haar zinnebeeldige beteekenis. Volgens velen

1) Zie Bellarminus, De conciliis, lib. 1, cap. 7. 2) Lombardi, Jur. can.

priv. Instit. I, pag. 194.

Sluiten