Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In onze dagen heeft de liefde der geloovigen tot den noodlijdenden Vader aller Christenen den Sint-Pieterspenning weder in 't leven geroepen. In het jaar 1847 begonnen reeds in Frankrijk openbare inschrijvingen, om Pius IX in zijn financiëele moeilijkheden te steunen. Den 24en November 1848 moest de Paus-Koning voor de revolutie de vlucht nemen naar Gaëta. Toen Pius den 12en April 1850 met behulp van Frankrijk naar Rome terugkeerde, vond hij de kerken geplunderd, de goederen der doode hand verbeurd verklaard, de openbare kasten geledigd en dwangleeningen uitgeschreven.

De financiëele nood had de uiterste grenzen bereikt, maar de liefde der Katholieken was eveneens grenzenloos. Armen en behoeftigen, weduwen en weezen offerden het penningske, dat hun restte, en hoopten op de voorzienigheid. In één woord, de geestdrift was zóó groot, dat Pius zich verplicht zag, om niet alleen te bekennen, dat zijn vaderlijke stem, de stem eens Pausen, onmachtig was, om voor zooveel liefde, aan hem en de Kerk bewezen, dank en erkentelijkheid te betuigen, maar, om zelfs zijn bezorgdheid ernstig te kennen te geven, dat men eigen behoeften vergat, en meer deed dan men doen kona). Nochtans was deze Sint-Pieterspenning geen vastgeregelde instelling, maar zou het weldra worden.

De rust, die na den terugkeer van Pius IX in de pauselijke Staten heerschte, was slechts een schijnbare, 't was de stilte, die den orkaan voorafgaat. De revolutie zou niet rusten, voordat de Eeuwige Stad in haar handen was. En de revolutie werd gesteund door Engeland, door de voltairianen van Frankrijk, door de ongeloovigen van Duitschland, door de Joden van alle landen, ook door veel misleide Katholieken in Italië en in 't geheim door den eedgenoot der italiaansche Carbonario's, keizer Napoleon III. Reeds in 1859 vielen de Legatiën in handen der revolutie, in 1860 volgden de Marken en Umbria, den 20en September 1870 trokken de Piëmonteezen door de bres der Porta pia Rome binnen 2). De italiaansche garantiewet bood den beroofden Paus een jaarlijksche toelage van 3V2 millioen lires, maar die som was niet toereikend, om

') Katholiek, 1. c. bl. 86. 2) Albers, § 166.

Sluiten