Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

139. Wat zijn de Bisschoppen der H. Kerk?

De Bisschoppen der H. Kerk zijn de opvolgers der Apostelen; zij zijn door den Heiligen Geest gesteld, om onder het oppergezag van den Paus, de Kerk Gods in hunne bisdommen te besturen.

1°. De Bisschoppen der H. Kerk zijn de opvolgers der Apostelen.

Het kerkelijk gezag moet, volgens den wil van Christus, voortleven tot het einde der eeuwen (bl. 16). Dit gezag werd door Christus, met uitsluiting van alle anderen, aan de Apostelen toevertrouwd (bl. 13). Er moeten derhalve opvolgers dezer Apostelen zijn. Deze opvolgers zijn geen andere dan de Bisschoppen der H. Kerk :).

De Apostelen zelve immers hebben als lasthebbers van Christus mannen aangesteld, in alles gelijk aan onze Bisschoppen, n.1. belast met het bestuur van bepaalde bisdommen, en gezag voerend zoowel over priesters als over gezuone geloovigen. Dit wil evenwel niet zeggen, dat de Apostelen aanstonds na het stichten eener christengemeente een Bisschop als bestuurder aanstelden. De Apostelen en hun met wijdingsmacht bekleede gevolmachtigden stelden wel overal priesters en diakens als medehelpers aan, belastten die priesters met de zielzorg en het bestuur der jeugdige Christenen, maar hielden het hooger of bisschoppelijk bestuur in handen. Door persoonlijke bezoeken, gevolmachtigde afgezanten, herderlijke brieven bleven zij in gemeenschap met priesters en geloovigen. Inderdaad, spreekt Paulus niet van zijn „dagelijksch noodwerk,

') Ten tijde der Apostelen had de benaming- van èniauonog (opziener, Bisschop) en JiQEGfivreQog (oudste, priester) geen vaste beteekenis. Later werd gelijk de H. Thomas (2. 2. q. 784, a. 6, ad 1) opmerkt — de beteekenis dezer namen scherper omlijnd, ter voorkoming van scheuring. Heden wordt de benaming van Bisschop in haar volle beteekenis slechts gegeven aan personen, die, krachtens de volheid van het priesterschap, de hoogste wijdingsmacht bezitten, en bovendien ambtshalve een bepaald kerkelijk rechtsgebied besturen (titulaire Bisschoppen). Onder de benaming van priester komen de geestelijken van den tweeden rang, die wel het H. Priesterschap ontvingen, maar de wijdingsmacht missen en aan het gezag van den Bisschop onderworpen zijn.

Sluiten