Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zondaars moeten bij de Kerk worden aangeklaagd, en, ingeval zij niet naar haar willen luisteren, als heidenen behandeld worden; de Bisschoppen moeten over hun kudde waken; de geloovigen moeten hunnen overheden gehoorzamen (Jo.

XII; Mt. XVIII; I Petr. V, 1; Act. XX, 28; Hebr. XIII, 17). Hoe is dit alles mogelijk, indien de Kerk, haar oversten, haar leden niet zichtbaar zijn? Het is ook de Kerk, door Bisschoppen bestuurd, en derhalve de zichtbare, die uit Christus' bloed geboren werd {Act. XX, 28), en in den persoon van zichtbare leeraars en herders de goddelijke beloften ontvangen mocht (Mt. XXVIII, 19); het is ook de Kerk op de steenrots, waartegen de hellepoorten niets vermogen (Mt. XVI, 18).

De leer der onzichtbare Kerk was ook onbekend bij de oude Vaderen, die te allen tijde onder den naam van Christus' Kerk die Kerk verstonden, wier leer in het openbaar werd verkondigd, wier geschiedenis zich voor het oog der wereld ontrolde. Daarom beriepen zij zich op zichtbare feiten, zooals b. v. de onafgebroken opvolging der Bisschoppen, om te bewijzen, waar de ware Kerk van Christus was *).

Een onzichtbare Kerk strookt ook geenszins met de natuur der menschen. God kon ongetwijfeld onmiddellijk, zonder tusschenkomst van eenig schepsel, zijn verlossingswerk volbrengen ; maar Gods voorzienigheid leidt alle schepselen naar het einddoel op een wijze, die met de natuur van elk schepsel overeenstemt 2). Welnu, de mensch is geen zuivere geest, maar een zinnelijk-geestelijk wezen, en daarom moet hij door het zichtbare en zinnelijke tot het onzichtbare en bovenzinnelijke worden opgevoerd. Evenals nu de mensch in de natuurlijke orde, bij zijn streven naar natuurlijke volmaaktheid, door zichtbare dingen en door andere menschen geholpen wordt, zoo wilde God ook in de bovennatuurlijke orde den mensch op dergelijke wijze tot het goddelijke verheffen. Het eeuwig en onzichtbaar Woord des Vaders nam de zichtbare gestalte van een dienstknecht aan, verscheen

*) Irenaeus, Adv. haer. lib. III, cap. 2, 3; Tertull. Praescript, cap. 32, 37. 2) C. Gent. lib. 4, cap. 56.

Sluiten