Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

immers wil, dat zijn leerlingen volmaakt zullen zijn, gelijk de Vader in den hemel volmaakt is (Mt. V, 48). En de Prins der Apostelen schreef aan de eerste Christenen: „Maar gij, gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk". I Petr. II, 9.

En wijl Christus (Jo. XIV, 12; Mc. XVI, 17,18) aan zijn Kerk de gave van wonderen uitdrukkelijk heeft toegezegd, moet zijn Kerk kunnen wijzen op ware mirakelen, als goddelijke zegelmerken, waaraan de zuaarheid en heiligheid harer leer, alsmede de heiligheid harer kinderen in den hemel, met volkomen zekerheid kunnen gekend worden.

III. Algemeenheid.

De Kerk van Christus moet katholiek of algemeen zijn. In de nauwste eenheid moet zij toch over alle tijden en plaatsen verspreid zijn. De Kerk wordt vergeleken bij een berg, die heel de wereld vervult (Dan. II, 34, 35). Alle geslachten moeten in Christus gezegend worden (Gen. XXII, 18). Christus is inderdaad voor alle menschen gestorven; Hij zond zijn Apostelen tot alle volken der aarde. Hieruit blijkt duidelijk, dat de Kerk van Christus niet, gelijk de joodsche kerk of synagoog, bestemd is voor een enkel uitverkoren volk, voor een enkel tijdvak der geschiedenis, maar voor alle volken, voor alle eeuwen. Zij is de berg van het huis des Heeren, gevestigd op de kruin der bergen en verheven boven de heuvelen, tot welken alle volken samenstroomen. En veel natiën zullen aansnellen en zeggen: „Komt, laat ons opgaan naar den berg des Heeren, en naar het huis van Jacobs God; en Hij zal ons onderwijzen in zijn wegen, en wij zullen wandelen op zijn paden". Zoo spreekt Micheas (IV, 1, 2). Zie Is. II, 2—4 !).

Nationale kerken, wier grenzen samensmelten met de grenzen van een staatkundig rechtsgebied, kerken, die zich uitbreiden of inkrimpen met den kring, waarin nationale handelsinvloeden of kanonnen het woord voeren, kunnen onmogelijk de Kerk van Christus zijn.

') De dwaling- der ongeloovig-en over de katholiciteit vindt men weerlegd bij J. V. de Groot, Summa Apot. Q. V, art. IV.

Sluiten