Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over het getal, over de natuur dier goddelijke instellingen. Velen, ook onder de orthodoxen, beschouwen zelfs den doop als een ceremonie of verklaring, dat men het lidmaatschap der Kerk aanneemt.

Van een gemeenschappelijk opperhoofd kan geen sprake zijn. De kerkelijke macht berust bij het Hoofd van den Staat (b. v. in Engeland en Duitschland), of, gelijk bij onze Nederlandsch-Hervormden, bij een synode, en reikt derhalve niet verder dan de landsgrens. Bovendien zien wij hier te lande, en ook elders, steeds nieuwe sekten zich van het gesteld gezag losscheuren, en-deze nieuwe sekten beginnen alras een nieuw splitsingsproces. Hier heeft men onder de Protestanten: Nederlandsch-Hervormden, Waalsch-Herv., Remonstranten, Christ.-Gereformeerden, Doopsgezinden, Evang.-Lutherschen, Hersteld-Lutherschen, Ned.-Gereformeerden, enz. 1).

De strijd over de geloofsleer raakt niet slechts eenige punten van ondergeschikt belang, maar laat geen enkele waarheid met ruste. Zelfs het geloof in Christus' Godheid bleef niet staande.

De oneenigheid in alles dagteekent reeds uit de eerste dagen der hervorming. Dit kon ook niet anders. Die oneenigheid immers is niet slechts een feitelijke toestand, maar een noodzakelijk gevolg, ja zelfs een wezenseigenschap van het Protestantisme. Inderdaad, als men tot regèl stelt, dat ieder in den bijbel zijn geloof moet zoeken, dat men den bijbel naar eigen goeddunken mag uitleggen, dan wordt elk Protestant zijn eigen paus, die volstrekt geen hooger gezag behoeft te erkennen. Terecht weeklaagt de (prot.) Nederlander (1896): „Wat moet er van onze arme kerk worden, als de deur wordt opengezet voor allerlei willekeur. Onze kerk dreigt meer en meer te worden, wat Bilderdijk haar reeds noemde: een ongeordende samenvloeiing van allerlei dwalingen".

Wel hebben de Protestanten, om de eindelooze twisten te bezweren en de alom gapende kloven te overbruggen, tallooze vergaderingen belegd 2), veel geloofsformulieren

') Nederl. Staatsalmanak. Zie G. van Noort, De Eccl. Christ, N. 134, P. 140, n. 2. 2) Zie Nuyens, Alg. Cesch. des Nederl. Volks, X, bl. 144.

Sluiten