Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgesteld; doch in dit alles lag niet alleen een ijdel pogen, maar tevens beginselverzaking. Had Luther het recht, om, zonder zich aan eenig kerkelijk gezag te storen, met den bijbel in de hand, uit te maken wat men op godsdienstig gebied al dan niet gelooven moet, dan mag men Calvijn en Zwingli hetzelfde recht niet ontzeggen. Wat Luther en de eerste hervormers deden, dit deden ook hun volgelingen. En waarom niet? Miskenning van het door God ingesteld kerkelijk gezag, vrijheid van onderzoek is immers de grondwet van het Protestantisme! Op het protestantsch standpunt geplaatst, eischt de moderne hoogleeraar Harnack terecht de volste vrijheid of losbandigheid: „Wij wenschen nog meer vrijheid, nog meer individualiteit in uitspraken en leer. De gedwongen landskerken of de vrij-kerkelijke opvoeding hebben ons maar te veel beperkingen en wetten opgelegd, ook al werden ze niet als goddelijke verordeningen uitgevaardigd" 1). Maar is het dan te verwonderen, dat het protesteeren ijverig zijn gang gaat, dat de bijbel zelf niet langer tegen de aanvallen der alles-afbrekende critiek gevrijwaard bleef, dat een commissie van nederlandsche Professoren, in haar nieuwe bijbelvertaling, het Oud Testament van alle verouderde begrippen gezuiverd, en in een menschelijken bijbel herschapen heeft, welke in alle opzichten aan de stoutste eischen van het nieuwe ongeloof voldoening schenkt? Zoover kwam het reeds, en zoover moest het komen. Het woord, dat Tertulliaan in de 3e eeuw van zijn kettersche tijdgenooten schreef: „Schisma est ipsis unitas", „hun eenheid bestaat in scheuring", maakte het Protestantisme niet tot logen. Dat wij de volledige ontbinding van het Protestantisme nog niet aanschouwen, is, behalve aan staatkundige oorzaken, veelal toe te schrijven aan den gemeenschappelijken haat, die allen tegen Rome opzweept. Ook hierin ligt reeds een vingerwijzing, dat alleen bij Rome het onfeilbaar leerambt wordt gevonden, dat de volle waarheid

') Wesen des Christenthums, S. 172. Hoezeer het geloof bij de Nederlandsch-Hervormden is afgebrokkeld, blijkt uit de steeds zwakker wordende formulieren, welke den predikanten bij de aanvaarding hunner bediening ter onderteekening worden voorgelegd. Zie G. van Noort, De Ecclesia, pag. 142, n. 1.

Sluiten