Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A/a den dood der Apostelen, aan wie de H. Geest alle waarheid geleerd heeft, wordt door God geen enkele waarheid geopenbaard tot vermeerdering van den katholieken geloofsschat. Openbaringen, in den loop der eeuwen door God aan sommige personen gedaan, behooren niet tot de leer, welke de H. Kerk ons voorhoudt te gelooven. Het kan evenwel gebeuren, dat het voor de geloovigen duister is, of deze of gene waarheid, b. v. de pauselijke onfeilbaarheid, werkelijk geopenbaard is. Die duisternis des geestes wordt weggenomen door de beslissende uitspraak der Kerk, dat die waarheid reeds van den beginne af door God geopenbaard werd. Het getal der geopenbaarde waarheden wordt derhalve door de kerkelijke uitspraken niet vermeerderd, maar wel de geloofskennis des volks, dat nu iets uitdrukkelijk gelooft, wat vroeger toch reeds in zijn geloof lag opgesloten.

De eenheid van bestuur werd niet verbroken door de groote westersche scheuring. De droevige babylonische gevangenschap, gelijk men het bijna zeventigjarig verblijf der Pausen te Avignon (1309—1377) veelal noemt, werd gevolgd door de jammerlijke westersche scheuring. Tegenover Urbanus VI en diens wettige opvolgers stonden bijna 40 jaren (1378—1415) tegenpausen met hun aanhang !).

Evenmin als nu, waren er toen twee wettige Pausen, maar slechts één was de wettige opvolger van Petrus, en dit werd ook erkend door de Katholieken, die den onwettigen paus aanhingen. Allen waren bereid, den wettigen opvolger van Petrus als den eenigen Opperherder der gansche Kerk te erkennen, maar velen dwaalden te goeder trouw omtrent het feit der wettige opvolging, terwijl het rechtsbeginsel der eenheid door allen beleden werd. Toen eindelijk door de verkiezing van Kardinaal Otto Colonna (Martinus V), die op den lln November 1417 in de algemeene kerkvergadering van Constanz plaats had, alle twijfel was opgeheven, gehoorzaamden weder alle Katholieken aan één Opperhoofd 2).

Tegen Urb. VI (1378—89), Bonif. IX (1389—1404), Innoc. VII (1404—06) en Gre^. XII (1406—15) stonden Clem. VII (1378—94), Bened. XIII of Petrus de Luna (1394-1417), Alex. V (1409—10) en Joan. XXIII (1410—15). *) Over de westersche scheuring leze men Albers, II, § 119, 120.

Sluiten