Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Luther verzuimde het gebed en bekommerde zich niet om het geestelijk leven, en zoo stond hij ongewapend in den feilen strijd tegen de booze begeerlijkheid. Luther kwam er toe, de neiging tot het kwaad als zondig en onweerstaanbaar te beschouwen; zij werd voor hem de eeuwig-voortlevende erfzonde1). Hieruit trok Luther het besluit: God heeft ons het onmogelijke opgelegd; wij kunnen de geboden niet onderhouden, al onze werken zijn zondig. Toch moet die mensch der zonde gered, zondeloos worden, terwijl hij zonde blijft. Die redding zocht hij in het geloof (vertrouwen), dat door Christus' heiligheid, als met een kleed, onze zondigheid voor het oog van God bedekt wordt 2). Zoo stond Luther reeds in 1516 door zijn dwalingen over de begeerlijkheid, de erfzonde, de wilsvrijheid en de rechtvaardigmaking buiten de Kerk, en was de kiem gelegd, waaruit later geheel zijn leerstelsel zich ontwikkelen zou.

In het jaar 1516 verleende Paus Leo X een vollen aflaat aan allen, die zouden biechten, communiceeren en een aalmoes offeren voor de voltooiing der Sint-Pieterskerk te Rome. Deze aflaat werd, op last van Albertus, Aartsbisschop van Maagdenburg, in de omstreken van Wittenberg gepredikt door den geleerden Dominikaan Tetzel 3). Nu sloeg Luther 's avonds vóór Allerheiligen van het jaar 1517 vijf en negentig stellingen tegen de aflaatsleer aan de deur der slotkerk te Wittenberg. Deze daad, alsmede het uitvaren tegen den aflaat, was het begin van den openlijken opstand, die reeds lang in het hart beraamd was4). Tevergeefs beproefde Leo X alle middelen, om den ongelukkigen priester te redden. Luther bleef in zijn verwatenheid doof voor elke vermaning en stortte zich met de onstuimigheid van een bezetene van den eenen afgrond in den anderen. T oen eindelijk alle middelen der liefde waren uitgeput, vaardigde Leo den 15" Juni 1520 de Bulle Exsurge

») Denifle, S. 437. 2) Zie Janssen, II, S. 71; Denifle, I, S. 464; Luther von Hartmann Grisar, I; Albers, II, § 136. In 1516 liet Luther een mystisch geschrift met pantheïstische strekking- uit de 14e eeuw (Deutsche Theologie) het licht zien. Daarin wordt geen andere wil erkend dan de goddelijke, die alleen in den mensch werkt, zoodat er noch wilsvrijheid, noch bindende wilskracht is. 3) Geschiedvervalsching, 38; G. A. Meyer, Aflaatprediker en inquisiteur; Janssen, II, S. 76. 4) Janssen, II, S. 75.

Sluiten