Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Leer van Luther en andere Hervormers.

De menschelijke natuur is in haar diepste wezen door de erfzonde zoo bedorven, dat innerlijke genezing onmogelijk is. De vrije wil is verloren, en alles, wat de gevallen mensch doet, is doodzonde. De mensch kan niet meer innerlijk (d. i. in eigenlijken zin), maar slechts uiterlijk gerechtvaardigd worden. Die uiterlijke rechtvaardiging bestaat in de toerekening van de rechtvaardigheid van Christus. Als n.1. de mensch maar gelooven of vertrouwen wil, dat de heiligheid van Christus hem wordt aangepast; dan wordt zijn bedorvenheid als met een kleed voor Gods oogen bedekt, en de zonde niet meer aangerekend. De goede werken zijn ter zaligheid niet noodzakelijk, ze zijn zelfs onmogelijk; de mensch wordt gerechtvaardigd en zalig door het geloof alleen. Vandaar het beruchte woord, in 1521 door Luther aan Melanchton geschreven: „Wees zondaar; zondig krachtig, maar geloof krachtiger"!

Als geloofsregel stelt Luther den bijbel, den bijbel alleen, verklaard naar eigen inzicht, met verwerping van elk door God ingesteld leergezag.

Bovendien verwerpt Luther het H. Misoffer en de H. Sacramenten, behalve het H. Doopsel en het H. Avondmaal, waarin Christus in en met het brood, maar alleen op het oogenblik der nuttiging, tegenwoordig is 1). De Sacramenten geven evenwel geen genade, maar dienen slechts, om het geloof te voeden en te versterken.

Luther verwerpt nog de vereering der heiligen, de aflaten, het vagevuur, de kloostergeloften, enz.

Luthers voornaamste bondgenooten in den opstand tegen de Kerk waren Melanchton (1497—1561), Zwingli (1484—1531), Calvijn (1509—1564) en Hendrik VIII van Engeland 2).

Door Calvijn werden Luthers dwalingen onverbiddelijk in haar gevolgtrekkingen doorgezet, en zoo kwam hij tot de godslastering, dat God, zonder op goede werken of zonden te letten, sommige menschen tot de eeuwige zaligheid, andere

*) Volgens de katholieke geloofsleer worden bij de Consecratie het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed des Heeren, en blijft alleen de gedaante van brood en wijn over. 2) Zie Albers, § 138, 143, 144, 146.

Sluiten